Waar is Europa’s natuurgeld het meest waard?

In Nederland worden miljoenen euro’s gestoken in het herstel van oude en ecologisch interessante cultuurlandschappen voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat. In Italië en Portugal zijn veel van zulke cultuurlandschappen nog intact, maar ontbreekt het juist aan geld voor het beheer. Vanuit Europees perspectief roept dat de vraag op waar investeringen voor Natura 2000 het meest lonen.

Landwerk, december 2012 (Download als pdf: Waar is Europa’s natuurgeld het meest waard?)

Miljoenen euro’s worden er in Nederland geïnvesteerd in het herstel van oude cultuurlandschappen. Een voorbeeld: in september maakte provincie Noord-Brabant bekend dat ze onder de noemer ‘landschappen van allure’ 56 miljoen euro gaat investeren in Het Groene Woud, de Maashorst en de Brabantse Wal. En dat terwijl in 2002 ook al 27 miljoen euro uitgetrokken werd voor het herstel van de culturele, natuurlijke en recreatieve aspecten van het landbouwlandschap van Het Groene Woud.

Topregio

De investeringen in het herstel van oude cultuurlandschappen dienen vele doelen, maar die moeten allemaal leiden tot een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bewoners en bedrijven. Van de site van provincie Noord-Brabant: “Mooie landschappen houden Brabant aantrekkelijk om in te wonen, werken en recreëren. Zo werkt de provincie Noord-Brabant samen met partners aan haar ambitie om een Europese topregio op het gebied van kennis en innovatie te zijn én te blijven.”

Hoe compleet anders is de situatie in de Portugese Serra da Estrella, een natuurreservaat in het oosten van Portugal bij de stad Guarda. Hier is het traditionele cultuurlandschap nog grotendeels intact. De Serra da Estrella is een van de weinige gebieden in Europa waar boeren nog steeds met traditionele heidelandbouwmethoden werken. Bij Covão da Ponte in de Mondego-vallei bijvoorbeeld houdt de jonge boer Lemos Santos driehonderd geiten op zijn weide in de vallei. De mest wordt gebruikt voor de gerst- en roggeakkers hogerop in de heuvels, die omringd worden door bergeiken, tamme kastanjes, brem en dopheide. Bovenop het heuvelgebied domineren vele meertjes met waterranonkel, gele gentiaan, jeneverbes en borstelgras, de bron voor het irrigatiewater in de vallei.

Traditionele, gemengde bedrijven

In oktober bezochten onderzoekers en beleidsmakers van het internationale Rural European Platform het natuurreservaat vlakbij Guarda in het kader van een workshop over nieuwe economische mogelijkheden van natuurgebieden. Dat gebeurde onder leiding van ecoloog Jan Jansen van bureau Pan & Demeter, die al tientallen jaren in het gebied onderzoek doet. Op de Facebook-pagina die hij samen met anderen onderhoudt over het gebied worden continu nieuwe vondsten van bijzondere vegetatie geplaatst. Dat de Serra da Estrella een Natura 2000-gebied is, is volgens Jansen voor een groot deel te danken aan de boeren met hun traditionele, gemengde bedrijven.

Het probleem is echter dat die traditionele, extensieve landbouw niet loont. Dat is in de Mondego-vallei duidelijk te zien. Lemos Santos boert nu op de plek waar vroeger een klein dorpje ligt, tussen duidelijk verlaten boerderijtjes ligt het oude schoolgebouw dat nu gebruikt wordt als woning, vlakbij de grazende geiten. Hier kunnen de boeren zelf het cultuurlandschap nog herstellen. Lemos Santos heeft nieuwe irrigatiekanaaltjes uitgegraven om het beekwater van de heuveltoppen effectiever te gebruiken. Ook elders herstellen jonge boeren traditionele vloeiweides of rotatiesystemen die hun ouders hadden verlaten.

Zwartgeblakerde restanten

De keerzijde daarvan is op diverse plekken in het gebied duidelijk zichtbaar, in de vorm van geschroeide en zwartgeblakerde restanten van bosbranden. Om toch geld te verdienen stimuleerde de Portugese overheid investeringen in grootschalige productiebossen met den en eucaliptus, en dat leidde tot grootschalige bosbranden. Het ironische is dat 99% van die branden wordt aangestoken door mensen. Daarmee krijgt het cultuurlandschap een zwart randje, want mensen steken niet alleen de branden aan, het gebrekkige beheer zorgt ook nog eens dat de branden enorme oppervlakten natuur dan wel cultuurlandschap vernietigen.

De Serra da Estrella is een economisch arm gebied. De landbouw is te kleinschalig en extensief om er goed geld mee te verdienen. Afgezien van de paar dagen dat mensen uit Lissabon de sneeuw op de bergtoppen komen bewonderen, is er weinig tot geen regionaal toerisme. En dat de hoogvlakte met zijn vele meertjes juist dankzij de terrassen van de landbouw een van de belangrijkste voorraden is voor de drinkwatervoorziening van Lissabon, daarvoor is ook geen geld beschikbaar.

Jetset en dagjesmensen

Een vergelijkbare problematiek speelt in het Parco Naturale Regionale di Portofino, even ten zuiden van Genua. Ook hier zijn menselijke activiteiten nodig om de biodiversiteit te behouden, blijkt uit een in augustus gepresenteerd landschapsecologisch onderzoek van Theo van der Sluis en Bas Pedroli van Alterra. Het park is in 1935 als natuur bestemd, maar de meeste biodiversiteit zit juist op de plekken die door mensen zijn gemaakt. Van der Sluis: “De kleine weitjes op de terrassen telden per honderd vierkante meter zeventig soorten, het struikgewas (de macchia) slechts zo’n dertig.”

De regio rondom het park is geen arme regio, zoals de Serra da Estrella. Vlakbij het park ligt het pittoreske havenplaatsje van Portofino, misschien wel het mooiste vissershaventje van de Middellandse Zee, waarvan zelfs een replica is gebouwd in het Universal Orlando Resort in Orlando, Florida. Het plaatsje is gewild bij de jetset. Miljardair en voormalig premier Silvio Berlusconi heeft er net als vele andere rijken een huis, en er komen veel dagjesmensen.

Bosbranden en erosie

Om de biodiversiteit te behouden, moet men dus op zoek naar nieuwe manieren om het oude cultuurlandschap opnieuw te gebruiken. Anders raken de door mensenhanden gemaakte en eeuwenlang onderhouden terrassen met olijfbomen en tamme kastanjes, waar boeren vroeger olijfolie en kastanjemeel van maakten, overgroeid en vervallen. Ook is er gevaar van bosbranden en van erosie op de steile hellingen. “De muurtjes van de terrassen moeten dus worden onderhouden”, aldus Van der Sluis.

Het probleem is dat daar, ondanks de rijke mensen in de buurt, nauwelijks financiering voor te vinden is. De overgebleven vijfentwintig boeren en hobbyboeren proberen te leven van de productie van olijfolie, kastanjes en wat veeteelt en akkerbouw, maar veel houden er mee op. Van de zeshonderd hectare landbouwgrond in 1936 is er nu honderd over. Van de actieve boeren zijn de meesten hobbyboer. Ook een agritourismo levert ondanks het drukke toerisme rondom het havenstadje relatief weinig inkomsten op. Bovendien houdt het parkbeheer volgens Van der Sluis vast aan ecologisch beheer, wat onder meer betekent dat de wilde zwijnen vrij spel krijgen om te wroeten in de terrassen.

Europees probleem

De teloorgang van natuurrijke cultuurlandschappen die voor hun beheer afhankelijk zijn van extensieve landbouw is een Europees probleem. Volgens Van der Sluis staat het verhaal van Portofino als voorbeeld voor veel gebieden rondom de Middellandse Zee. Maar ook in Nederland zijn dergelijke cultuurlandschappen te vinden. “Neem de hooilanden langs de Drentsche Aa. Die moet je hooien, anders wordt het broekbos.” Extensief landbouwkundig beheer is daarvoor nodig, maar hoe betaal je dat?

Het is dus zoeken naar nieuwe economische dragers voor de financiering van traditioneel landschapsbeheer dat leidt tot een rijke biodiversiteit. Beleidsmakers en wetenschappers uit de Serra da Estrella hebben daarvoor hun oog laten vallen op de vergroening van het nieuwe Europese landbouwbeleid. “We hebben een strategische coherente programmering nodig tussen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en bijvoorbeeld het natuurbeleid”, hield Eugénio Sequeira van de Sociedade de Geografia de Lisboa de deelnemers van het Rural European Platform in Guarda voor. Ook wordt gekeken naar nieuwe vormen van ecotoerisme.

Nieuwe markten

Vanuit Europees perspectief roept de kwestie ook de vraag op waar het voor de Europese Unie interessant is om te investeren in bijvoorbeeld Natura 2000. Jansen maakte tijdens de workshop van het Rural European Platform de vergelijking tussen de Serra da Estrella en Noord-Brabant. Kort door de bocht klinkt het als een harde tegenstelling: terwijl boeren in Portugal nauwelijks kunnen leven van het in stand houden van de biodiversiteit van een Natura 2000-gebied die leidt tot een verzekering van de drinkwatervoorziening van Lissabon en een bescherming tegen grootschalige bosbranden, kan in Noord-Brabant miljoenen euro’s geïnvesteerd worden om een Natura 2000-gebied in de markt te zetten als een interessant vestigingsklimaat.

Zo kort door de bocht is de werkelijkheid natuurlijk niet. De investeringen in Noord-Brabant worden niet alleen gedaan met Europees geld, maar ook met geld uit de verkoop van energieproducent Essent. En regio’s als Serra da Estrella of Portofino moeten gewoon zelf zoeken naar nieuwe markten voor hun waardevolle cultuurlandschap, zodat dat voor boeren een prettig vestigingsklimaat krijgt. Toch roept een vergelijking tussen Nederland en landen rondom de Middellandse Zee de vraag op hoe Europa denkt Natura 2000 te verwezenlijken in tijden van economische crisis. Waar moet Europa investeren? Waar is het natuurgeld van Europa het meeste waard? En de vraag die veel natuurbeheerders ook in Nederland zich tegenwoordig stellen: welke verdienmodellen zijn er voor natuur en landschap? En hoe organiseer je zoiets?

Natuurbeleid sterker afhankelijk van economie

‘Door de bomen het bos zien’ was de ondertitel van het symposium ‘Natuurbeleid anno 2012’ dat Hogeschool Van Hall Larenstein organiseerde op maandag 4 juni. Daar werd duidelijk dat het natuurbeleid onomkeerbaar veranderd, en dat de economie en sectoren als de landbouw belangrijker worden voor de organisatie en de financiering ervan. De grote vraag die bleef hangen, is of economie goed of slecht is voor de ecologie.

Landwerk, juni 2012

Niemand lijkt meer te weten wat natuurbeleid tegenwoordig nog is. Achter de aanleiding tot het symposium zat een tragikomisch verhaal dat tekenend was voor de verwarring die heerst. Lector John Janssen van het Lectoraat Geïntegreerd natuur- en landschapsbeheer vertelde hoe de lectoren van het lectoraat het verzoek van het college van bestuur om een collegereeks te maken over het natuurbeleid had moeten afwijzen. “We wisten niet meer hoe het zit.”

Dat is helemaal niet zo gek als het lijkt. Het economische, politieke en culturele klimaat is ingrijpend aan het veranderen, en daarmee het natuurbeleid ook. Dagvoorzitter Joop Schaminee somde op: het beleid decentraliseert, er wordt bezuinigd, voor geld wordt nu ook gekeken naar het bedrijfsleven, er komt een nieuwe natuurwet en een nieuwe omgevingswet, en er komt een nieuw Europees landbouwbeleid. Bij elkaar telt dit op tot volgens ecoloog Schaminee ‘onomkeerbare veranderingen’.

Nieuw beleid nodig

Schaminee was daarbij nog vergeten dat natuur in het huidige politieke klimaat niet direct in een positief daglicht staat. Daar had de eerste spreker op het symposium, Henk Groenewoud van de directie Natuur en biodiversiteit van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI), wel een verklaring voor. Dat er in de afgelopen tien jaar heftige discussies werden gevoerd over het natuurbeleid lag volgens hem in het feit dat er beleid werd uitgevoerd. “Daardoor bots je met andere belangen.”

“Het is nodig dat er nieuw beleid komt”, stelde Groenewoud. “Het bestaande beleid – het Natuurbeleidsplan, de nota ‘Natuur voor mensen, mensen voor natuur’, het beleidsprogramma Biodiversiteit werkt – is allemaal verouderd.” Aan de hand van de Europese biodiversiteitsstrategie liet hij zien hoe dat oude beleid waarschijnlijk zal veranderen. Die strategie bestaat uit zes doelen – het uitvoeren van de Vogel- en Habitatrichtlijn, het herstellen van ecosystemen en ecosysteemdiensten, het opvoeren van de bijdrage aan de biodiversiteit van de landbouw en de bosbouw, het verduurzamen van de visserij, en het verminderen van het mondiale biodiversiteitsverlies – en twintig daaraan gekoppelde acties.

Verbreding van het natuurbeleid

Volgens Groenewoud zal dit allemaal leiden tot een verbreding van het natuurbeleid. “Met alleen soortenbescherming redt je het niet, het probleem zit eerder in de manier waarop we produceren en consumeren en ons handelsysteem. Daarom zie je een verbreding van het beleid naar andere sectoren en andere doelstellingen.” Zo vormt de vergroening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie de kern onder de ambitie om de landbouw mee te laten helpen bij het verbeteren van de biodiversiteit. “Nederland is de grootste voorstander van de vergroening, en loopt daarmee voorop”, aldus Groenewoud.

Gedeputeerde Rein Munniksma van de provincie Drenthe sloot hierbij aan met een pleidooi om de Europese financiering van agrarisch natuurbeheer te verbreden. Munniksma vertelde over het Leekstermeer, waar de provincie Drenthe werkt aan natuurontwikkeling, recreatie en de verbetering van de landbouwstructuur. “Een paar jaar geleden behoorden deze koeien bijna allemaal bij boerenbedrijven. Vanuit Europa kregen deze boeren een aardige hectaretoeslag. Nu hangt dit er vanaf wie eigenaar van deze koeien is. Is dit een boer? Dan zit het met de subsidie na 2014 wel snor. Maar zijn de beesten van particulieren of natuurbeheerders? Dan ligt dat in ons land anders.”

Vervallen rijkstaken

Munniksma riep staatssecretaris Henk Bleker op zich in Brussel hard te maken voor agrarische activiteiten in natuurgebieden, ook in de ecologische hoofdstructuur. “Het lijkt me een uitdaging om in dit nieuwe landbouwbeleid de hectaretoeslag niet alleen uit te keren aan ‘traditionele’ boeren. Deze toeslag zou ook beschikbaar moeten komen voor ondernemers, kleine en grote natuurbeheerders wanneer ze ook actief boeren met koeien of schapen.”

“Ik kan nog steeds niet instemmen met het bestuursakkoord tussen de provincies en het rijk over de decentralisatie van het natuurbeleid”, stelde Munniksma. “Maar het bestuursakkoord is wel de democratische realiteit.” Maar met de decentralisatie is wel de financiering voor zaken als Nationale Parken, schaapskudden en de verbetering van de landbouwstructuur vervallen. “Dat zijn geen gedecentraliseerde maar vervallen rijkstaken”, aldus Munniksma. “Met deze bezuinigingen halen we de doelen niet.” Bovendien leidt het stopzetten van alle financiering voor de aankoop van natuur volgens Munniksma tot het stopzetten van projecten waar met geld uit diverse bronnen – Europa, waterschappen, gemeenten, provincies en rijk – wordt gewerkt aan natuurontwikkeling, recreatie en landbouw.

Meer voordelen dan nadelen

Ook vanuit juridische hoek valt er voor de natuur niet veel positiefs te halen, bleek uit het gloedvolle betoog van Peter van Wijmen, emeritus hoogleraar natuurbeschermingsrecht bij Universiteit Tilburg, “Er is een antinatuurstemming ontstaan”, stelde hij, “niet bij de mensen maar bij politici als Koopmans en Koppejan van het CDA, mijn partij.” De nieuwe Natuurwet, de beoogde opvolger van de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet, past volgens Van Wijmen in dit klimaat. Hij hield de zaal vol ecologen en studenten natuurbeheer gloedvol voor dat natuur erfgoed is dat je moet beschermen.

De nieuwe Natuurwet heeft meer nadelen dan voordelen, aldus Van Wijnen. Het wordt juridisch simpeler, omdat er maar één natuurwet is. Daarnaast is de Europese wetgeving is in de wet één op één overgenomen, waardoor er daar geen onduidelijkheid kan ontstaan. Daar staat tegenover dat Nederland geen extra bestemming regelt naast de Europese wetgeving Ook de strikte verboden om dieren te doden, te vangen en te verontrusten en planten te plukken en te vernielen zijn volgens Van Wijmen nu zo opgeschreven, dat die in de praktijk niet zijn te handhaven. Daarnaast stelde hij vraagtekens bij de rolverdeling, waar nu de provincie het bevoegd gezag wordt, terwijl het rijk de te beschermen gebieden en soorten aanwijst.

Ontwikkelruimte

Ook de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) past in de verbreding van het natuurbeleid die Groenewoud schetste. Het programma is opgezet om de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden met herstelmaatregelen te verlagen, met als belangrijkste reden dat er daardoor ‘ontwikkelruimte’ vrijkomt voor economische ontwikkelingen. Alterra heeft hiervoor in een rapport van wel 1600 pagina’s voor alle 166 Natura 2000-gebieden beschreven voor welke habitattypen en doelsoorten de stikstofdepositie een probleem is, en welke herstelstrategieën er mogelijk zijn. Doel van de PAS is om hiermee aan te geven welke economische ontwikkeling in en rondom zulke gebieden mogelijk zijn. “Maar het boekwerk geeft de ecologen in Nederland ook een compleet overzicht van het herstel van de ecologie in Nederland”, stelde projectleider Nina Smits van Alterra.

Uitgangspunt bij de PAS is dat een soort of leefgebied stikstofgevoelig is als die last heeft van een stikstofdepositie van 2400 mol per hectare per jaar. Smits kwam zo uit op 55 habitattypen en veertien soorten die stikstofgevoelig zijn. “Het rapport moet toepasbaar zijn en vormt een juridische basis”, aldus Smits. De Raad van Staten toetst vergunningen voor nieuwe activiteiten en uitbreidingen op basis van de ecologische kennis. “Dat wordt toegepast in alle Natura 2000-gebieden. Zo krijgt het een plek in het beheerplan voor Natura 2000, het moet leiden tot lokaal herstelbeheer en tot monitoring. Uiteindelijk moet het leiden tot nieuwe vergunningverlening.” Voor de PAS is voor de komende vier jaar honderdtwintig miljoen euro beschikbaar, waarvan zeventig miljoen voor het verminderen van de stikstofemissie door de landbouw.

Jammeren

Zo werd wel wat duidelijker wat de contouren van het nieuwe natuurbeleid kunnen worden, maar ook dat er nog heel veel onduidelijk blijft voorlopig. Groenewoud en Munniksma waren eensgezind in het verlangen naar een nieuw en verbreed natuurbeleid, waarin niet alleen ruimte is voor andere sectorale belangen, zoals landbouw en recreatie, maar ook nadrukkelijk wordt gekeken wat die sectoren kunnen betekenen voor de financiering en organisatie van het natuurbeleid. Van Wijmen en Smits lieten zien dat de wet- en regelgeving niet meer eenzijdig is gericht op het natuurbeheer, maar gekoppeld wordt aan economische ontwikkelingen.

Daarmee kwam wel de vraag naar boven wie nu eigenlijk verantwoordelijk is. “Als de overheid zich al niet inspant voor de natuur, wat moet de burger dan wel niet denken?”, vroeg Wim Lammers van Staatsbosbeheer zich af. “Het natuurbeleid is heel groot en complex geworden”, reageerde Groenewoud. “Het was tijd om daar wat aan te veranderen. Veel mensen hebben een aversie tegen natuur, daar moet je wat aan doen.” “Ik zou een positieve houding willen zien ten aanzien van natuur en landschap”, reageerde Egbert Jaap Mooiweer van de Vereniging Nederlandse Cultuurlandschap. “We hebben vaak de neiging om te jammeren.”

Inzichtelijk wat mogelijk is

Lector Janssen wilde toch wel wat tegengas geven tegen het al te makkelijk omarmen van de koppeling tussen ecologische en economische ontwikkeling. “Ik heb sterk het idee dat het nieuwe natuurbeleid vooral voortkomt vanuit economische belangen”, stelde hij. “Je kunt groen redeneren met dezelfde argumenten”, reageerde Groenewoud. “Je kunt je wel af blijven zetten tegen anderen sectoren… Wil je de natuur redden, dan moet je samenwerken met die sectoren.” Een programma als de PAS kan volgens Smits helpen om een verbinding te maken tussen ecologie en economie. “Het Havenbedrijf van Rotterdam is erg geïnteresseerd om te investeren in herstelmaatregelen, als ze mogen uitbreiden. De herstelstrategieën die we nu hebben beschreven maakt voor hen inzichtelijk wat er wel en niet mogelijk is.”

Toch werd door de bomen het bos nog niet heel helder zichtbaar, als was wel duidelijk dat de economie de ecologie overschaduwd. De vraag alleen is of dat erg is. Munniksma stelde dat we als rijk land de verantwoordelijkheid hebben om de natuur er niet op achteruit te laten gaan. “Maar daar heb je wel economische ontwikkeling voor nodig.” Adviseur Henk ten Holt van Bureau Zet zag juist een compleet omgekeerde rol voor het natuurbeleid: “We gaan nu in Natura 2000-gebieden op detail zitten kijken hoe je economische ontwikkeling mogelijk maakt.”

Nederlandse natuur uitgelegd

Het is alsof je met Frank Berendse door de Nederlandse natuur loopt, als je Natuur in Nederland leest.  Het leest prettig, en je krijgt een enorme bak met waardevolle informatie over je uitgestort. Berendse, hoogleraar Natuurbeheer en plantenecologie aan Wageningen Universiteit en bekend voorvechter van de natuur, neemt de lezer mee op een tocht door tien Nederlandse landschapstypen, waarbij hij gelukkig ook de stad niet is vergeten. In vloeiende stijl legt hij uit hoe dat landschap is gegroeid en wat je er nu allemaal aan natuur kunt vinden.

Landwerk, oktober 2011

natuur in nederland

Het boek is geschreven in wat Berendse in zijn inleiding een ‘rotsvast pessimisme’ noemt. “Ik had mij voorgenomen om een laatste reeks van wandelingen door Nederland te maken om afscheid te nemen van de natuur waarmee ik was opgegroeid. ” Het boerenland bevestigde dit: ‘dode landschappen waar mest en bestrijdingsmiddelen hun werk hadden gedaan’. “Maar daarbuiten gaven Bijenorchis en Kleine zilverreiger, oprukkend naar het noorden, Zeearend en Kraanvogel, opnieuw in Nederland, mijn rotsvast pessimisme een flinke deuk.” Toch is Natuur in Nederland geen optimistisch of vrolijk boek.

Als Berendse de lezer meeneemt door de landschappen is hij ecoloog en docent. Hij benoemt planten en dieren in hoofdletters, en weet tegelijkertijd zo vreselijk veel in de natuur te kunnen ontdekken, dat een leek zich bijna gaat afvragen of het werkelijk zo slecht gesteld is. Dat maaktNatuur in Nederland een mooi, interessant en rijk boek voor de mensen met interesse in natuur, maar het zal de scepticus die liever op natuur bezuinigt niet overtuigen.

Frank Berendse, Natuur in Nederland, KNNV Uitgeverij, ISBN 9050113762, 29,95 euro

Natuurbeheerders moeten leren ondernemen

Landwerk oktober 2011 – Zijn Duitsland en Polen het voorland van het Nederlandse natuurbeheer? Aankoop van landbouwgrond om dat om te zetten naar natuurgebied blijkt onhaalbaar rondom de Dümmersee en de Biebrza. Daar werken natuurbeheerders samen met boeren en andere ondernemers om tegen zeer lage kosten de natuur te beheren. Een noodzakelijk kwaad of goed ondernemerschap?

We lopen in Nederland achter met het betrekken van ondernemers bij het natuurbeheer. Dat leek vreemd genoeg de conclusie van de conferentie ‘Herstel van de verdroogde natuur gaat lukken’ die het Landelijk Steunpunt Verdroging op 15 september in Arnhem organiseerde. Mensen van waterschappen, provincies, gemeenten en natuurorganisaties luisterden daar in de ochtend naar presentaties van Nederlanders over beleid, geld, kansen en bedreigingen, maar zagen ’s middags buitenlanders die het wel lukt om boeren en andere ondernemers te betrekken bij het natuurbeheer.

Het probleem van de verdroging is simpel, maar de oplossing niet. De vegetatie in natte natuurgebieden kan zich niet voldoende ontwikkelen,omdat het waterpeil laag wordt gehouden voor andere functies, zoals de landbouw. En ondanks de instelling van 272 Topgebieden, waar de bestrijding van de verdroging topprioriteit moet zijn, wil dat maar moeizaam lukken.

Grondposities

De cijfers liegen er niet om. Hoofd Bureau Water van Provincie Noord-Brabant Jaap van der Schroeff toonde de resultaten van een vooruitgangsrapportage van LSV in 2009, waaruit blijkt dat toen in ongeveer een derde van de topgebieden geen problemen waren. Tien procent van de topgebieden hebben last van financiële problemen, dertien procent met het vinden van draagvlak en acht procent met een gebrek aan bestuurlijke steun. In de meeste gebieden, bijna de helft, waren er echter problemen met de grondposities. Veel grondeigenaren willen hun land niet verkopen en niet herinrichten als natuur, met als gevolg dat de voor de natuur schadelijke lage waterpeilen gehandhaafd blijven.

Daarmee benoemde Van der Schroeff een belangrijk pijnpunt in het Nederlandse natuurbeleid. Dat is sinds de instelling van de Ecologische Hoofdstructuur in 1990 voornamelijk gestoeld op het aankopen van gebieden om die, na een eventuele herinrichting, in te richten en te beheren als natuur. Dat is ingewikkeld, en met de hoge grondprijzen in Nederland bovendien ook duur.

Onzekerheid en hoop

Met de economische crisis en de politieke omwenteling in 2008 werd al snel duidelijk dat de aanpak om natuur te kopen niet langer financieel en politiek niet langer houdbaar is. De rijksoverheid heeft niet langer geld over om natuur te kopen, en in de kielzog van die beslissing krijgen ook provincies, gemeenten, waterschappen en natuurorganisaties het moeilijk. Op de vraag ‘wat dan?’ wordt veel gewezen naar publiekprivate samenwerking en private financiering, ondanks de ecologische kritiek op het agrarisch en particulier natuurbeheer.

In al deze onzekerheid hebben veel mensen de hoop gevestigd op de omvorming van het Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie (EU), dat vanaf 2013 zijn beslag moet krijgen. Het idee is dat daarin geld beschikbaar komt voor maatschappelijke diensten – termen als ‘ecosysteemdiensten’ en ‘groenblauwe diensten’ doen daarbij al jaren de ronde – waarbij boeren en andere ondernemers tegen betaling diensten leveren die gunstig zijn voor de natuur.

Nieuwe wind

Zo waait er een nieuwe wind, die zowel in de weerbarstige praktijk van de verdrogingsbestrijding als in het veranderende natuurbeleid zijn weerslag krijgt. Conclusie: er moeten meer boeren en andere ondernemers bij het natuurbeleid en het waterbeheer worden betrokken.

Diederik van der Molen, projectleider Kaderrichtlijn Water (KRW) bij het ministerie van Infrastructuur & Milieu, noemde in zijn presentatie over de KRW een bedrijfsmilieuprestatieregister, in navolging van het door de industrie al gebruikte Europese Pollutant Release Transfer Register (PRTR), als een mogelijkheid om boeren te belonen op hun milieuprestaties. “Boeren zouden op vrijwillige basis maatregelen kunnen nemen die bovenwettelijk zijn, en worden daarvoor beloond.” Vanuit de EU is er steun om voor zulke milieuprestaties te betalen, stelde Van der Molen.

Geen medelijden

Uit het buitenland kwam geen medelijden met de Nederlanders. “Jullie denken dat jullie in een slechte situatie zitten”, hield Heinrich Belting van het in de Duitse deelstaat Niedersachsen het publiek voor. “In de toekomst is er minder geld. Wij hebben nooit geld gehad.”

Belting leidt al jaren een ecologisch succesverhaal in het 4560 hectare grote Natura 2000-gebied rond de Dümmersee, even ten westen van Hanover. Het gebied is dankzij verdrogingsmaatregelen uitgegroeid tot het eerste kerngebied voor weidevogels. Sinds de ingrepen is het aantal vogels sterk toegenomen en dankzij het opener geworden landschap is het broedsucces in het gebied vergroot. Daardoor kwamen reeds verdwenen vogels terug, zoals de kemphaan en de zomertaling, terwijl het aantal grutto’s verdubbelde en het aantal watersnippen zelfs verdriedubbelde. Nu is het gebied een soort voorraad van weidevogels voor het omliggende boerenland – een brongebied.

Aankoop onmogelijk

Aankoop was en is daarbij een onmogelijke opgave, rekende Belting voor. Daar zijn miljarden euro’s voor nodig, alleen al voor het vernatten van graslanden in Natura 2000-gebieden. In het kader van de Natura 2000 zijn er in Niedersachsen op maar liefst 500.000 hectare maatregelen tegen de verdroging nodig, aldus Belting, waaronder op zo’n 150.000 hectare ecologisch belangrijk grasland. De aankoop van 2500 hectare rondom de Dümmersee kostte veertig miljoen euro, dus is voor de aankoop van 150.000 hectare grasland een duizelingwekkende 2,4 miljard euro nodig. Met gelach liet het publiek merken dat zulke bedragen zelfs voor natuurliefhebbers wat hoog zijn.

Het ecologische succes is deels te danken aan de goede samenwerking met de 140 boeren rondom de Dümmersee. “Boeren huren land en maken winst”, vertelde Belting. Grote delen van het gebied zijn vernat, en de aangekochte landbouwgronden zijn omgevormd tot vogelweiden. Om het landschap open te houden moeten bomen en andere begroeiing verdwijnen. Seizoensbegrazing blijkt niet winstgevend, maar hooien wel. Dankzij een Europees project werden de speciale machines aangeschaft die op het natte land kunnen maaien, en zo’n 150 kilometer hekwerk aangelegd om bepaalde percelen bruikbaar te maken voor de landbouw. De verhuur levert 25 euro per hectare op, en dat halen boeren er nu uit. Belting verwacht dat er na de omvorming van de Europese Unie subsidie beschikbaar komt die het voor de boeren nog aantrekkelijker maakt.

Bastaardarend, korhoen en wolf

Tadeusz Sidor, de onderdirecteur van het Poolsefo, is op een vergelijkbare manier bezig om zonder geld aan natuurbeheer te doen. De Biebrza is een rivier in het noordoosten van Polen, en het nationale park ligt langs de rivier. Sidor en zijn collega’s zijn verantwoordelijk voor 150.000 hectare Natura 2000-gebied, vertelde hij, waarvan 60.000 hectare in het park. In het park is zeventig procent open land en dertig procent bos. Van dat open land is het overgrote deel grasland, iets wat in de loop van de eeuwen door mensenhand is gecreëerd. De biodiversiteit is bekend tot in Nederland, met duizend plantensoorten, bijna tweehonderd vogelsoorten, dertien soorten amfibieën en vijf soorten reptielen, met als hoogtepunten de bastaardarend, het korhoen en de wolf.

Langs de Biebrza is net als in Nederland de grondpositie een probleem. “58 procent van het nationale park is staatseigendom, maar 42 procent is privébezit”, vertelde Sidor. “Er zijn zo’n 17.000 eigenaren met 12.000 gebiedjes die vaak kleiner zijn dan één hectare. Daarnaast zijn er veel onduidelijkheden over de grenzen.” Er zijn voor het gebied drie vormen beheer ontwikkeld voor het behoud van het cultuurlandschap van de laaglandrivier – strikte bescherming, actieve bescherming en landschapsbescherming – maar die zijn dankzij de versnipperde eigendomsstructuur nauwelijks uit te voeren.

Biobrandstof

Vanaf 2008 is het nationale park begonnen om gebieden in het park te verhuren aan boeren en andere ondernemers uit de omgeving. Het aantal verhuurde hectare steeg sindsdien van 4500 naar 8500 in 2009. “Voor ons is het het belangrijkste dat we de ecologische successie stoppen”, vertelde Sidor. “Boeren mogen niet eerder maaien dan na het broedseizoen. Het gras wordt gebruikt als veevoer maar er worden ook pallets van gemaakt om te dienen als biobrandstof.”

“Het is winstgevend, want de EU ondersteunt de boeren”, vertelde Sidor. Vanuit de eerste pijler van het GLB is er honderd euro per hectare beschikbaar ter ondersteuning van de landbouwproductie, vanuit de tweede pijler is er geld voor het beheer van grasland voor de vogels en de vegetatie. “Dat levert genoeg geld op als het areaal maar groot genoeg is en als het contract lang duurt, het liefst zo’n tien jaar.”

Grootschalig investeren

Aankoop van grond is ook voor Sidor geen optie. “Dat kost duizend euro per hectare bij moeras en drieduizend euro per hectare voor weidegrond”, stelt hij. Daarom wil het nationaal park investeerders interesseren om grootschalig te investeren in de grote en aparte machines met rupsbanden die nodig zijn om de weide te maaien. “Die investeringen zijn de grootste kosten, en de enige winst is het geld dat uit Europa komt.” Die investeringen kunnen dus alleen uit als het mogelijk is om grote oppervlakten tegelijkertijd te maaien. “Als we duizend landeigenaren kunnen laten samenwerken om een loonwerker in te huren, dan gaat dat lukken.”

Sidor wil toe naar een systeem waarin ondernemers roulerend delen van het park maaien, zodat de openheid behouden blijft. “Het gaat ook om werkgelegenheid”, stelt Sidor. “De helft van de Poolse bevolking leeft nog op het platteland, en dertig procent is afhankelijk van de landbouw. Het gaat niet alleen om de natuur, maar ook om het aantrekkelijke landschap, het toerisme en de waterberging. Er is steeds meer toerisme, eerst veel buitenlanders maar nu ook steeds meer Polen.”

Ecologische doelen

Over de ecologische doelen die voor Natura 2000 in het gebied van het nationale park moet worden nagestreefd is Sidor somber en realistisch. “We weten nauwelijks wat de ecologie en wat de soorten nodig hebben. Ons primaire doel is het open houden van 30.000 hectare weidegrond, en er was geld om nauwelijks een duizend hectare te maaien.” Het is dus roeien met de riemen die Sidor en zijn collega’s tot de beschikking staan.

Tijdens de discussie aan het einde van het symposium bleek dat de praktijk uit Duitsland en Polen niet zo ver verwijderd is van het Nederlandse natuurbeheer. In tijden van bezuiniging zijn alle ogen op Europa gericht, zo leek het, want iedere spreker had wel een voorbeeld van hoe de verandering van de GLB kan helpen bij het financieren van het voor Natura 2000 broodnodige natuurbeheer.

Ondernemende natuurbeheerder

Albert Corporaal sprak aan het eind over de ‘ondernemende natuurbeheerder’ die nodig is. De Britse consultant Paul Silcock van Cumulus bleek ook zeer verbaasd over de sterke scheiding tussen natuur en landbouw, toen bleek dat natuurorganisatie in Nederland geen geld mogen ontvangen van de eerste pijler van het GLB. “I was staggered”, stelde hij.

Al met al lijken de armere gebieden in Noord-Duitsland en Noordoost-Polen een voorland voor wat er in het rijkere Nederland ook kan en misschien wel moet gebeuren. In plaats van het aankopen van landbouwgronden zal de nadruk bij het Nederlandse natuurbeheer wel kunnen komen te liggen op het samenwerken met ondernemende types uit de landbouw of elders, om via creatieve manieren de kosten voor dat beheer te verminderen. De grote vraag is natuurlijk of dat op dezelfde grote schaal kan als in Polen. En Belting stelde bij zijn presentatie ook nog een belangrijke voorwaarde om te zorgen dat de landbouw ook daadwerkelijk rondom een natuurgebied kan samenwerken met de natuurbeheerders, namelijk een goede landbouwstructuur. Het natuurbeheer moet passen in het boerenbedrijf, en in alle boerenbedrijven.

Voldoen aan de hoge eisen van het korhoen en het gentiaanblauwtje

Met agrarisch natuurbeheer boek je geen natuurwinst, meldden Wageningse ecologen in Nature. Maar helpt het reguliere natuurbeheer wel? En kunnen boeren leren van de natuurbeheerders? Volgens ecologen weten we veel over planten en weinig over dieren. De beste manier om beheer te verbeteren lijkt langdurig onderzoek en samenwerking tussen wetenschap en praktijk.

Recource, februari 2002

Toen de ecologen Frank Berendse, David Kleijn en hun collega’s in Nature schreven dat agrarisch natuurbeheer niet echt tot verbetering van de natuur leidt, was de beer los. Het werd door agrarische natuurverenigingen als In Natura gezien als een politiek document om het agrarisch natuurbeheer in diskrediet te brengen ten faveure van de Ecologische Hoofdstructuur en het reguliere natuurbeheer. Het pleidooi van Berendse en Kleijn om het natuurbeheer wetenschappelijk te monitoren ging in dit pandemonium ten onder.

Monitoring is sluitpost

Volgens ornitholoog Wolf Teunissen van Sovon Vogelonderzoek Nederland is juist die monitoring een van de belangrijkste aspecten die de Wageningse ecologen hebben aangestipt. “De verdienste van Berendse en Kleijn is dat ze monitoring op de agenda gezet hebben.” Bij Sovon is het jaar in jaar uit tellen van vogels heel gebruikelijk, maar daarbij wordt heel veel gebruik gemaakt van vrijwilligers. Teunissen begrijpt wel waarom monitoring niet van de grond komt. “Monitoring is een sluitpost op de begroting, en onderzoek is natuurlijk duur. Er wordt wel veel gedaan met vrijwilligers, maar daar is het vaak ook een afweging tussen het leuk houden en het geïnteresseerd houden van de vrijwilligers en het moeten voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen.”

Maar weten we eigenlijk wel of natuurbeheer überhaupt wel werkt? Dat was een van de belangrijkste en ook een van de meest logische vragen die in de discussie rond het onderzoek van Berendse en Kleijn werd gesteld. Teunissen formuleert het antwoord op die vraag voorzichtig: “Als er geen beheer werd gepleegd, was de natuur er nog slechter aan toe”. De systeemecoloog Roland Bobbink van de vakgroep Landschapsecologie van de Universiteit Utrecht doet al twintig jaar onderzoek naar natuurbeheer. Hij is positiever. “De resultaten zijn wisselend, maar het lukt ons heel goed om rodelijstsoorten terug te krijgen.” En dan spreken we over zeldzame planten als breed wollegras, de veldgentiaan en de waterlobelia. De laatste is zelfs zo spectaculair in aantal gegroeid dat die volgens Bobbink wel eens van de Rode Lijst zou kunnen worden geschrapt, maar dat ligt volgens hem ook aan de verbetering van het milieu.

Uit zijn dak

Bobbink doet veel onderzoek in het kader van het Overlevingsplan bos+natuur (OBN), een programma van het ministerie van LNV, waarin sinds 1989 wordt geëxperimenteerd met beheer dat er op gericht is de effecten van verzuring, vermesting en verdroging in natuurgebieden te herstellen. Hij herinnert zich nog de verbazing van de nestor van de plantensociologie Victor Westhof toen die in het verbrande bos bij Staverden de resultaten van dit herstelbeheer zag. “Hij ging zowat uit zijn dak!”

Het OBN kan inderdaad bogen op succesverhalen. In het boekje dat in 1999 ter gelegenheid van het tienjarig bestaan werd gepubliceerd, staat dat er in totaal 108 zeldzame plantensoorten terugkwamen of zich uitbreidden. In de natte duinvallei Moksloot op Texel kwamen 22 rodelijstsoorten terug, in het blauwgrasland Beekvliet bij Borculo 17 plantensoorten.

Samenwerking

Binnen het OBN wordt het meeste ecologisch onderzoek naar natuurbeheer in Nederland gedaan. Volgens projectleider OBN Rob Hendriks van het Expertisecentrum LNV komt dat omdat de maatregelen die worden genomen om natuur te herstellen sterk gericht zijn op verbetering van de biodiversiteit. Redelijk rigoureuze herstelmaatregelen als het plaggen van heide om het gras te verwijderen en het baggeren van vennen om het mineralenoverschot in het water te verminderen zorgen in korte tijd voor effecten die met ecologisch onderzoek zijn te meten. Het reguliere natuurbeheer is vaak meer gericht op behoud, en is minder doelgericht dan het herstelbeheer in het kader van het OBN. Alleen jarenlange monitoring zou hierbij helderheid verschaffen omtrent de effecten.

Het reguliere natuurbeheer plukt de vruchten van het OBN, vertelt Hendriks. Het OBN werkt als een soort proeftuin, waarvan de succesvolle resultaten ook in het regulier natuurbeheer worden toegepast. Waar zowel Hendriks als Bobbink vooral enthousiast over zijn, is de samenwerking die OBN stimuleert tussen wetenschappers en terreinbeheerders. Volgens Bobbink heeft juist die samenwerking tot veel vernieuwing in het beheer geleid.

Kalkbrokken

De kennis van beheerders is onontbeerlijk in onderzoek naar natuurbeheer, vindt Bobbink. Beheerders kunnen wetenschappers bijvoorbeeld in detail vertellen wat er met een natuurgebied mis is, of het verzuring, vermesting, verdroging of een combinatie van die factoren is die heeft geleid tot de achteruitgang in biodiversiteit. Die kennis kunnen wetenschappers dan combineren met de gegevens van een eeuw lang vegetatieopnames die vegetatiedeskundigen en plantensociologen als Westhof hebben verzameld, en die door Alterra-onderzoeker Joop Schaminée en anderen werd gepubliceerd in de bekende boekenserie Vegetatie van Nederland. De ecologen krijgen dan een beeld van hoe de vegetatie er vroeger uit moet hebben gezien. Vervolgens kunnen ze in overleg met de beheerders doelgerichte maatregelen voorstellen om met natuurbeheer een vergelijkbare vegetatie terug te krijgen.

Voor de dieren ligt het minder makkelijk. Dieren zijn ook veel gevoeliger voor de ingrepen in hun leefomgeving. Dierecoloog Hans Esselink van het Nederlandse Centrum van Natuuronderzoek dat is gevestigd in de Katholieke Universiteit Nijmegen heeft voorbeelden te over van natuurbeheer, waarbij en passant zeldzame dierpopulaties werden uitgeroeid. Dat gebeurt vaak per ongeluk. Zoals de keer dat de beheerder van een kalkgrasland in Zuid-Limburg de kalkbrokken opruimde waaronder enkele zeldzame keversoorten huisden. En vaak ongewild. Als bijvoorbeeld het vee zoveel medicijnen krijgt tegen wormen dat het desastreus is voor de mestkevers en de strontvliegen die leven van de mest.

Geschikte afzetplaatsen

Een van de problemen met het beheer is dat het vooral op planten is gericht, vindt Esselink. Daarbij wordt wel eens uit het oog verloren dat op die vegetatie een veel ingewikkelder wereld van kevers, insecten, vogels, reptielen en zoogdieren leeft. Daarover is betrekkelijk weinig kennis. De meest aaibare dieren of de meest in het oog lopende worden wel, vaak al jarenlang, geteld en onderzocht door organisaties als Sovon en de Vlinderstichting, maar over de effecten van natuurbeheer op dierpopulaties is bedroevend weinig bekend. Daarbij leidt natuurbeheer soms tot ‘faunaongelukjes’ als gevolg van rigoureuze herstelmaatregelen, zoals bij het Grootmeer bij Vesem, waar tijdens het herstel het hele ven werd drooggelegd om de hele voedselrijke bovenlaag van de bodem en de oever te verwijderen. Libellen als de tengere pantserjuffer en de bruine winterjuffer verloren hierbij geschikte afzetplaatsen voor hun eitjes.

De reden voor de kennisleemte ligt volgens Esselink in de complexiteit waar dierecologen mee te maken hebben. Dat nekt vooral specialistische soorten die afhankelijk zijn van zeer kenmerkende omstandigheden. De rupsen van het gentiaanblauwtje bijvoorbeeld ontwikkelen zich op de vruchtbeginsels van de klokjesgentiaan, en worden in een later stadium verzorgd door Myrmica-mieren. De actieradius van de mieren en de zaadverspreiding is beperkt tot enkele meters. En voor een vogel als het erg zeldzame korhoen is de meest geschikte leefomgeving open heide met meer dan dertig centimeter hoge heidestruiken, afgewisseld met bossen, grassen en kruiden, jonge bomen en natte of vochtige kruidenrijke en venige plekjes. Bovendien is een plag- of brandstrook van tien meter al een onoverkomelijk obstakel.

Grote kennisleemtes

Grootschalige herstelmaatregelen als machinematig plaggen en maaien betekent voor zulke gevoelige diersoorten dat hun leefomgeving te homogeen wordt om te overleven. Machinematig plaggen van heide bijvoorbeeld levert een egaal veld met ‘VVV-heide’, als het bloeit een mooi paars vlak voor de recreanten, maar ongeschikt voor de variatie eisende dieren. Het is volgens Esselink daarom zaak om de beheerders zeer nauwgezet aan te sturen, want klakkeloos toepassen van wetenschappelijk ontwikkelde beheerstechnieken doet vaak de kleinschaligheid die in de natuur gewenst is, teniet. Bobbink is minder pessimistisch dan Esselink. “In het begin was het veel trial and error, maar nu weten we vrij goed wat we in een bepaald geval moeten doen.” In de tien jaar dat OBN loopt is de nadruk wel degelijk steeds meer op kleinschaligheid komen te liggen, vindt Bobbink. Esselink geeft toe dat in ieder geval het uitsterven van plantensoorten dankzij programma’s als OBN is gestopt.

Bobbink moet wel toegeven dat er grote kennisleemtes zitten in het dierecologisch onderzoek naar natuurbeheer. Monitoring zou daarvoor een oplossing kunnen zijn. Het OBN zou daarbij als voorbeeld kunnen dienen. “Na tien tot twaalf jaar blijkt bijvoorbeeld dat ook de duurzaamheid van gebieden die we in het kader van OBN volgen, groter is geworden. Herverzuring vindt minder plaats. Dat komt volgens mij ook doordat er minder verzuring en vermesting is, maar ook het herstelbeheer is vele malen beter dan vroeger.”

Goed blanco’s

Langdurig ecologisch onderzoek helpt dus niet alleen de kennis over natuurbeheer op een hoger peil, maar geeft ook inzicht in de mate waarin verzuring, vermesting en verdroging in gebieden doorwerken. En dat is belangrijk, want zowel alle ecologen beamen dat zonder een goede aanpak van die milieufactoren natuurbeheer is als roeien tegen de stroom in.

Ook Berendse erkent de voorbeeldfunctie die OBN voor een monitoringssysteem zou kunnen hebben. De samenwerking tussen beheerders en wetenschappers ziet hij als iets wat ook in het agrarisch natuurbeheer positief zou kunnen werken. “Met de boeren op wiens land we werken, hebben we een goede relatie. Mijn ervaring is dat boeren zeggen, vertel me maar hoe het zit. Met een goed monitoringprogramma kunnen we hen laten zien hoe het wel werkt.”

Een van de voorwaarden voor goede wetenschappelijke monitoring is volgens Berendse het tegelijkertijd onderzoeken van gebieden met beheersovereenkomsten en gebieden zonder, blanco’s. Ook Teunissen van Sovon is voor zo’n aanpak, maar hij ziet direct beren op de weg. “Het is ontzettend moeilijk om goede blanco’s te vinden.” In het streven naar kleinschaligheid en variatie in de natuur, die volgens Esselink nodig is voor de veeleisende zeldzame diersoorten, is het heel moeilijk om verschillende gebieden met elkaar te vergelijken. En homogene natuur is niet iets wat we willen.