‘GLB is budgetstrijd’

In Brussel wordt vooral gepraat over hoe het geld wordt verdeeld over Europa en over de sectoren van natuur, landbouw en stad. Er moeten structurele aanpassingen komen om te komen tot meer overkoepelend beleid, zoals de structuurfondsen en de tweede pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Maar dat beleid lijkt juist een belangrijke motor achter de burgerparticipatie in het natuur- en landschapsbeheer, en de burger kan niet wachten op zeven jaar durende structurele hervormingen.

Blog voor Netwerk Platteland, 11 oktober 2013 (Reageer op Netwerk Platteland)

NP geldboom ID-100168302

De invoering van het nieuwe hervormde GLB is verzand in een ‘budgetstrijd’ tussen Oost-, Zuid en Noordwest-Europa. Dat stelde Europarlementariër Bas Eickhout van GroenLinks in zijn presentatie op het symposium ‘Het landschap ben je zelf’ dat Landschapsbeheer Nederland vrijdag 3 oktober organiseerde op landgoed De Vanenburg in Putten. Ministers van financiën kijken in de onderhandelingen vooral hoe de door hun land ingelegde euro’s het beste renderen voor de natuur of de landbouw in hun land.

Bommetje onder de tweede pijler

Bij de discussie over het GLB gaat het dan ook vooral over het geld uit de eerste pijler, het echte ‘boeren’-geld. Dat is een probleem, vond Eickhout, want het Europese beleid wordt zo ‘gecompartimenteerd’ in strikt gescheiden sectoren voor landbouw, natuur en stad. “De grote uitdaging zit in de doelen van de structuurfondsen en de tweede pijler van het GLB, landschappelijke doelen.” Daarvoor is nu weinig aandacht, blijkt uit het op de lange baan schuiven van overkoepelend beleid als de Europese Kaderrichtlijn Bodem.

Eickhout legde in zijn presentatie een bommetje onder de tweede pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. “Waarom is het GLB meer dan de eerste pijler? De structuurfondsen zitten dichtbij wat de tweede pijler doet.” Beide steunen het integrale Europese beleid voor de plattelandsontwikkeling, en waarom zou je niet de structuurfondsen versterken in plaats van het GLB vergroenen?”

Burgerparticipatie

“De tweede pijler is juist een grote kans om de verhouding met de burger te verbeteren”, reageerde adviseur Henk Kieft van het ETC. De vergroening van het GLB via de tweede pijler is gericht op het organiseren van agrarische streekcollectieven rond agrarisch natuurbeheer, en daarbij zouden burgers een belangrijke rol als vrijwilliger kunnen spelen. Veel natuurorganisaties hopen ook via burgerparticipatie mensen bij hun werk te betrekken. Het verdwijnen van de tweede pijler kan dus ook een bommetje onder die burgerparticipatie betekenen.

Toch lijkt Eickhout een punt te hebben. Als het Europese beleid verhardt in een sectorale en geografische strijd om geld, is het dan niet handiger om energie te steken in het versterken van de structuurfondsen om te zorgen dat er overkoepelend en integraal beleid voor natuur en platteland ontstaat? Probleempje was echter dat Eickhout voorstelde om het GLB van 2014-2020 maar te laten zitten, en de energie vooral te richten op structurele aanpassingen van het GLB dat in 2021 ingaat. “De beginkracht van innovatie zit bij georganiseerde burgers”, reageerde Kieft. Die kunnen volgens hem geen zeven jaar wachten. “De komende maanden worden besluiten genomen over de komende zeven jaar.”

Meer dan de som der delen

Tijdens het symposium bleek ook dat boeren en natuurorganisaties de burger wel kunnen gebruiken om te leren samenwerken, want er waren wederzijds nog veel irritatiepunten. De vraag is ook of het de provincie als regisseur van het plattelandsbeleid lukt om met sectoraal Europees geld die samenwerking los te trekken. “De opgave is te komen tot een pakket dat meer is dan de som der delen”, stelde Franck Kuiper, adviseur bij het Interprovinciaal Overleg, daarover. Dat zegt weinig over wat Nederlanders in het landschap zullen aantreffen, maar wel veel over de moeite die het kost om samenwerking los te maken.

Heidebeheer zoekt aansluiting bij regionale economie

Van Noorwegen tot Portugal worden heidegebieden als beschermd natuurgebied beheerd. Maar bescherming van habitattypes in omheinde parken is niet voldoende, bleek tijdens de European Heathland Workshop. In het natuurbeheer moet een verbinding gezocht worden met de regionale economie. Dat blijkt echter niet in alle heidegebieden mogelijk, want soms kunnen beheerders alleen het veld in met behulp van een tank.

Landwerk 3 2013

Onder de indruk zijn ze, de Nederlandse en Engelse heidespecialisten die eind juni in Denemarken de European Heathland Workshop bezoeken, want in de Deense heidegebieden zien ze dingen die al decennia uit de heide van Nederland en Engeland zijn verdwenen. Elk heidegebied dat de beheerders en wetenschappers bezoeken, zit vol met veldleeuweriken, makkelijk herkenbaar door hun gekwetter de typische op en neer gaande manier van vliegen. Die zijn er in Nederland en Engeland nauwelijks meer, volgens de Nederlanders omdat er in Denemarken nog wel voldoende insecten zijn. De Deense heide lijkt ook veel minder verzuurd en vermest, want overal zijn veel korstmossen te vinden. Op sommige plekken is het voor de korstmosspecialisten een ware wedstrijd om zoveel mogelijk soorten te vinden, en dat leverde soms wel tien verschillende soorten korstmossen op op één plek.

Heidespecialisten

De European Heathland Workshop is een informele organisatie van Europese wetenschappers en beheerders die tweejaarlijks een workshop organiseert over heidebeheer. Dit jaar verzamelden zich bijna honderd heidespecialisten uit Denemarken, Zweden, Noorwegen, Polen, Tsjechië, Nederland, België, Engeland en Duitsland zich voor een week in Denemarken voor workshops, lezingen en excursies over het heidebeheer. Daar bezochten ze bijna alle heidegebieden van Noord-Jutland. Dat zijn over het algemeen relatief grote gebieden, die opvallend onaangetast leken te zijn door de overal overheersende grootschalige akkerbouw en veeteelt. Jutland was vroeger overwegend heidegebied, want de grond is er nogal schraal, maar dankzij de kunstmest is het de landbouw toch gelukt om het te ontginnen. De heide is veelal bewaard gebleven in afzonderlijke gebieden, die nu zijn omgevormd tot nationale parken.

De heidespecialisten kwamen bijzondere natuur tegen in Denemarken. Zo waren ze erg te spreken over de vochtige blauwgraslanden en de andere kolonisatievegetatie bij de enorme migrerende duin Råbjerg Mile, vlakbij Skagen, die zich jaarlijks bijna twintig meter in noordoostelijke richting verplaatst. De duin is de laatste overgebleven stuifduin, een overblijfsel van een verschijnsel dat Jutland eeuwenlang teisterde maar in de negentiende en twintigste eeuw werd beteugeld door de aanplant van bomenplantages.

Cultuurverschillen

Opvallend was dat er weliswaar grote cultuurverschillen waren tussen de heidespecialisten uit de negen landen, maar dat de grote verschillen in heidebeheer niet zozeer zaten in die nationale cultuurverschillen maar eerder in de verschillen in ligging en vegetatie van de diverse heidegebieden. Dat bleek zelfs op het geografisch beperkte oppervlak van Jutland. In het rollende heuvellandschap van Mols Bjerge met zijn heidevelden, grasland, boomplantages, laagveenmoerassen, eikenbossen en broeklanden even ten oosten van Aarhus, valt de heide tussen alle diversiteit aan vegetatiesoorten nauwelijks op. In Nationalpark Thy, een twaalf kilometer brede strook duinlandschap met heidevelden en wat plantages in het noordwesten van Jutland, is de heide overheersend aanwezig.

Dat verschil is terug te zien in het beheer. Zo bleek er in Mols Bjerge naast het normale heidebeheer, het verschralen van de heide om vergrassing en opslag met bomen te voorkomen, veel meer aandacht voor het beheer van de andere vegetaties en de gehele diversiteit aan plantengroei. Zo worden grote delen van de boomplantages verwijderd om plaats te maken voor schrale graslanden en heide, maar was er tegelijkertijd aandacht om de oude eikenbossen met hun bijzondere plantengroei te behouden.

Rozebottelstruiken

In Thy is het beheer meer gericht op de heide zelf, en daarbij werd één probleem speciaal aangepakt. Ecologen en beheerders maken zich namelijk zorgen over de rozebottelstruiken, een exoot uit Japan die overal in de duinheide opduikt. Die vormen een groeiend probleem, want volgens Rita Buttenschøn van de Universiteit van Kopenhagen is het areaal rozebottels in de afgelopen tien jaar verdrievoudigd. De Deense heidespecialisten experimenteren nu voor de bestrijding van de struiken naar een extreem middel: het bestrijdingsmiddel Roundup. Dit tot afschuw bij veel bezoekende heidespecialisten. Een paardenmiddel, vonden de Nederlanders, want de rozebottel zou dankzij de verschraling van de bodem over een vijftiental jaar waarschijnlijk vanzelf verdwijnen.

Net als in Denemarken uiten die verschillen zich ook elders in Europa in het beheer. Tijdens de workshops vielen twee extremen op. In Noorwegen is een nationaal actieplan opgezet om de complete variatie aan heidelandschappen langs de kust te beschermen, vertelde Mons Kvamme van het heidecentrum Lyngheisenteret in Lygra. Onderliggende gedachte was dat de heidegebieden van menselijke oorsprong zijn, en dat heide gebruikt moet worden om het te behouden. “Als niemand de heidevelden gebruikt, dan verdwijnen ze”, aldus Kvamme. In Noorwegen is dan ook gekozen om boeren de mogelijkheid te geven om de heidegebieden te beheren. Dat kostte het Kvamme en zijn collega’s nog veel moeite. Slechts in 23 van de 585 heidegebieden langs de Noorse kust bleek er bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak en de nodige economische steun om lokale boeren zover te krijgen dat ze het heidebeheer op zich wilde nemen.

Wilde schapen of Feuerlöschpanzer

Het heidebeheer vergt nogal wat van een boer, vertelde Leif Christian Torsøe. Hij runt een traditioneel boerenbedrijf op de heide langs het meest zuidelijke puntje van Noorwegen, in Lindesnes. Met Agder Villsau, Noorse wilde schapen die ondanks hun geringe hoogte over een volwassen man kunnen springen, begraast hij zo’n tweeduizend hectare heide. Daarnaast verzorgt Torsøe ook ander natuurbeheer op de heide, zoals het verwijderen van opslag van sitkasparren en het hakken en branden van de heide. Voor het natuurbeheer krijgt hij een vergoeding van de Noorse overheid, maar daarnaast moet hij inkomsten halen uit de verkoop van vlees en andere producten. Samen met andere boeren in de regio heeft hij de beweidingsvereniging Agden Kystbeitelag opgericht, waarin ze onder meer de vleesverkoop organiseren en samen streven naar een meerwaarde voor het vlees van de wilde schapen.

Een compleet ander plaatje kwam naar voren bij de presentatie van ecoloog Frank Meyer van het bureau Rana uit het Duitse Halle. Hij vertelde over de enorme droge heidevelden in Noordoost-Duitsland, die zijn gevormd door militair gebruik in de tijd van de DDR. In de landen Brandenburg, Mecklenburg, Sachsen-Anhalt en Sachsen bevindt zich meer dan zestig procent van het Duitse areaal van de habitattypes Droge heide en Duinheide, enorme uitgestrekte zandvlaktes en landduinen met struiken calluna-heide. De voormalige oefenterreinen van de DDR liggen echter vol met munitie, waarvan lang niet altijd zeker is of dat veilig is, terwijl het te kostbaar is om de munitie te verwijderen. Daarom zijn niet alleen de technieken om de heide te branden aangepast, er is zelfs een speciale tank ontwikkeld, de Feuerlöschpanzer Spot 55, die ingezet wordt als brandweerwagen. Het is te onveilig voor natuurbeheerders om zelf op de heide te werken, aldus Meyer. De foto’s die Meyer liet zien van de tank werkte op de lachspieren van de heidespecialisten, maar het verhaal van Meyer maakte goed duidelijk welke welhaast surrealistische werkelijkheid er schuilt achter het heidebeheer als je ervoor kiest om voor mensen compleet ontoegankelijke natuur toch met menselijke middelen te beheren.

Bizarre werkelijkheid

De grote vraag die tijdens de European Heathland Workshop naar boven kwam, was wat we nu eigenlijk moeten verstaan onder heide. Veel heidegebieden, van het noorden in Noorwegen tot in Portugal, vallen onder de Europese natuurwetgeving Natura 2000. Maar kijken we naar de beschermde habitattypen die de Deense heidevelden rijk zijn, dan valt op dat er een enorme diversiteit is. Zo overheerst in Thy het habitattype Droge heide, maar zijn in Mols Bjerge naast Vochtige heide ook verschillende typen grasland en bos aanwezig, en is zowel de stuifduin als het blauwgras bij Råbjerg Mile beschermd.

Dat levert ook vraagtekens op ten aanzien van het heidebeheer. In Noordoost-Duitsland wordt alle moeite gedaan om voor Duitsland belangrijke arealen van de habitattypes Droge heide en Duinheide te behouden, maar de inzet van tanks in een met munitie verontreinigd heideterrein laat ook de bizarre werkelijkheid zien van wat een Europese natuurwetgeving als Natura 2000 in de praktijk vermag. Het verhaal van boer Torsøe past dan beter bij het plaatje wat de meeste mensen hebben van natuurbeheer.

Culturele diensten

Het heidebeheer lijkt zich in Europa steeds meer te bewegen richting een integraal beheer, waarbij de heide wordt beschouwd als door mens gemaakt landschap, waarvoor een door de regio bestuurlijk, maatschappelijk en economisch gedragen beheer bij hoort. Alleen bescherming van heidegebieden werkt soms zelfs contraproductief. Leonor Calvo van de Universiteit van León liet in haar presentatie zien dat de beschermde heidegebieden in de Cantabrische bergen van Noord-Spanje sneller dichtgroeien met bos dan de heidegebieden die lokale mensen gebruiken als weidegrond voor grazende schaapskuddes, en waarin diezelfde lokale mensen delen kaal kappen om bosbrand te voorkomen.

Volgens Calvo is het traditionele, extensieve, agrarische en integrale gebruik van heidegebieden dus beter voor de biodiversiteit dan alleen bescherming en ecologisch beheer. Probleem is volgens haar wel dat de traditionele producten die de lokale heideboeren vroeger leverden, zoals vlees en hout, onvoldoende opleveren. De boeren moeten omschakelen naar nieuwe wat Calvo noemt ‘culturele diensten’, zoals het begrazen van de bergen met herten waar toeristen op kunnen jagen of het telen van gele gentiaan als grondstof voor de farmaceutische industrie. “Die culturele diensten leveren geld en werkgelegenheid op, maar daarvoor moet wel het landschap worden beheerd”, aldus Calvo.

Brede definitie

Goed heidebeheer kan volgens Calvo dus geld opleveren. Dat betekent volgens haar twee dingen. Enerzijds moet bij het natuurbeheer in heidegebieden rekening gehouden worden met sociaaleconomische belangen, en moet er rekening gehouden met de economische transformatie van regio’s van een producteconomie van vlees en hout naar een diensteneconomie van ecotoerisme en jacht. Anderzijds benadrukt Calvo dat voor de basis onder die regionale economie – een gezond heide landschap – juist ecologische kennis die nodig is over hoe heidelandschappen zich ontwikkelen, en hoe ze reageren op beheersmaatregelen als begrazing, branden en kappen.

Diezelfde integrale benadering kwam terug bij de presentatie van het boek Economy and Ecology of Heathlands door de Nederlandse ecoloog Henk Siepel van de Radboud Universiteit. In het internationale, wetenschappelijke boek wordt nadrukkelijk gekeken naar de relatie tussen economie en ecologie. Siepel liet een kaart zien van Europa met daarop de gebieden die vallen onder de zeer brede definitie van heide die de auteurs hanteren, namelijk heide als halfopen of open gebied met arme bodem dat is begroeid met heide en gras. Op dat enorme areaal kan volgens Siepel gewerkt worden met beheermethoden zoals Calvo beschreef, waarin de ecologie van een gebied gekoppeld wordt aan de regionale economie. Ook bij Siepel vormt de ecologie de basis voor een gezond en natuurlijk landschap dat diensten oplevert die een stimulans kunnen betekenen voor de regionale economie. Dat lijkt in de voormalige militaire terreinen van de DDR nog een stap te ver, maar in Noorwegen, Spanje en Denemarken worden voorzichtige stappen gezet.

Economy and Ecology of Heathlands, KNNV Uitgeverij, ISBN 9789050114615, 59,95 euro

‘Je moet weten waar je juridisch staat’

Er spelen in de wereld van de tuin- en landschapsarchitectuur de laatste jaren verhalen over schendingen van het auteursrecht. Jurist Kees Berendse werkt al tientallen jaren in deze tak van het recht, en werkt nu als zelfstandig specialist intellectueel eigendomsrecht. Ontstaat er een conflict, dan is Berendse’s eerste advies om te zorgen voor een solide juridische basis. “Niet zomaar toegeven.” Daarnaast moeten tuin- en landschapsarchitecten goed laten zien wat ze doen, en laten merken dat ze om de integriteit van hun werk geven.

Blauwe Kamer, juni 2013

Binnen de wereld van de tuin- en landschapsarchitecten is veel te doen over het auteursrecht. Merkt u daar iets van in uw praktijk?

“Nee. Als het goed is, moeten opdrachtgevers last hebben van tuin- en landschapsarchitecten die hun auteursrecht bevechten. Ik ga ervan uit dat het aanbrengen van wijzigingen in hun werk aan de orde van de dag is, maar merk daar niet veel aan. Terwijl het wel de moeite loont. Er zijn genoeg zaken die ontwerpers gewonnen hebben.”

Wat moet je doen als je denkt dat je auteursrecht wordt geschonden?

“Mensen reageren vaak vanuit de emotie. Ze schieten dan vaak in een verzet, sturen brieven of mails of gaan bellen. En omdat mensen dat vaak doen zonder dat ze deskundig zijn, werkt dat vaak contraproductief. Je moet eerst weten wat je rechtspositie is, wat van jou is. Het gevoel speelt mee, maar het publiek speelt ook mee. Je kunt de media en het publiek inzetten voor je zaak. Maar de jurisprudentie is de basis onder het verhaal. Je moet eerst weten waar je juridisch staat. Ga niet zelf zitten rommelen.”

Is de sloop van een gebouw of een ingrijpende wijziging van een park een aantasting van het auteursrecht?

“De Hoge Raad laat daarvoor veel ruimte, maar het is afhankelijk van de omstandigheden, en dus moet je die omstandigheden kennen. Is de opdrachtgever bijvoorbeeld zorgvuldig te werk gegaan? Dat is zo’n grijs gebied, maar je kunt dat als jurist goed inkleuren door bijvoorbeeld jurisprudentie te zoeken die past bij de zaak. Zo ontstaat een beter juridisch beeld. Daar moet je wel deskundigheid  voor hebben.

“De eigenaar is verantwoordelijk, hij heeft een onderhoudsplicht. Dit moet je contractueel regelen, dat het werk in een goede staat wordt gehouden. Er speelde in de jaren tachtig een zaak rondom een fontein voor het gebouw van Dagblad De Stem in Breda. Die was verlonst en verstopt, en de eigenaar had het zo laten verwaarlozen dat het redelijk leek om het te slopen. De rechter besloot echter dat het werk in oorspronkelijke staat hersteld moest worden.”

Hoe kunnen tuin- en landschapsarchitecten hun auteursrecht het beste organiseren?

“Je kunt relatief makkelijk preventief te werk gaan. Je kunt uitstralen naar opdrachtgevers dat je er waarde aan hecht dat je werk met respect behandeld wordt, dat je als auteur serieus genomen wordt. Daarvoor kun je je website gebruiken, laten zien wat je doet, en bij elke tekening je naam, de datum en het copyright-teken plaatsen. Dat heeft al een bepaald effect. Gewoon goed laten zien wat je doet.

“Het contract gaat een stapje verder. Contracten moet je altijd goed lezen. Vaak worden contracten aangeboden door de opdrachtgever. Daarna is het een onderhandeling. Je moet weten waar je aan toe bent, en je hoeft niet zomaar overal aan toe te geven. Soms zijn contracten teveel in het voordeel van de opdrachtgever. Bij twijfel is het goed om het aan een deskundige te laten zien. Dat hoeft niet veel te kosten, want een compromis of oplossing is vaak snel te vinden. Met architecten hebben we bovendien een abonnementenregeling, dat kunnen we leden van de NVTL ook aanbieden.”

Landschapsgeschiedenis past bij nationale identiteit

Het Europese landschap is een cultuurlandschap dat is gevormd door de eeuwenlange strijd tussen ‘food and fibre’, voedselproductie en energieproductie. De geschiedenis van dat landschap is daarom belangrijk voor toekomstige ontwikkelingen, vinden landschapsonderzoekers, ook omdat die landschapsgeschiedenis past bij de lokale, regionale en nationale identiteit. “Als je goed kijkt, zie je dat de karakteristieke landschappen volledig overeenkomen met de etnische indeling, de talen, de naties.”

Landwerk, december 2012

Het landschap van Europa is uniek in de wereld, en de veehouderij heeft daarbij een essentiële rol gespeeld. Dat stelde prof. Urban Emanuelsson van de Sveriges lantbruksuniversitet (Zweedse Landbouwuniversiteit) in zijn keynote speech voor de Permanent European Conference for the Study of the Rural Landscape (PECSRL) die van 20 tot 25 augustus in Friesland werd georganiseerd. Er is maar één gebied dat net zoveel menselijke invloed heeft gehad, stelde Emanuelsson, en dat is Noordoost-Azië. De vooraanstaande landschapsonderzoeker doet nu vergelijkend onderzoek in Japan, Korea en China voor een boek over bijvoorbeeld de invloed van veehouderij op de vorming van het landschap, na zijn eerdere boek over de menselijke invloed op het Europese landschap.

Begraasd Europa

De veehouderij is in bijvoorbeeld Japan veel minder belangrijk geweest voor het landschap dan in Europa, liet Emanuelsson zien. In Europa was de consumptie van vlees de reden dat kuddes koeien, schapen, geiten en andere dieren via begrazing zorgden voor halfopen gras- en heidevelden met weinig bebossing. In Japan at – en eet – men weinig vlees. De ossen die men daar gebruikte voor de bewerking van het land werden dan ook niet opgegeten. Japanners moesten dan ook de bossen in voor een alternatief voor de dierlijke mest; ze haalden bladeren uit de bossen en composteerde die in speciale composthuizen. Met als gevolg een veel dichter bebost landschap dan in het begraasde Europa.

Het Europese landschap is volgens Emanuelsson bepaald door de mens in zijn eeuwenlange strijd tussen ‘food and fibre’, tussen voedselproductie en energieproductie, en daarmee tussen open land en bebossing. Voor de meeste toehoorders was duidelijk dat deze strijd nog steeds gaande is, in Duitsland bijvoorbeeld waar de teelt energiegewassen als koolzaad zorgen voor een enorme prijsdruk op voedergewassen als mais.

Food and fibre

“Er is geen wildernis in Europa”, stelde Emanuelsson. Minstens driekwart van de Europese biodiversiteit is volgens hem te vinden in oude cultuurlandschappen die onderhouden moeten worden door mensen. Dat zijn meestal halfopen landschappen, waar de strijd tussen food en fibre nog aan af te lezen is. Die eeuwenlange menselijke invloed zullen we moeten meenemen in het toekomstige gebruik van het landschap, stelde Emanuelsson, bijvoorbeeld in de omgang met klimaatverandering. Want die menselijke invloed bepaalt voor een deel ook de fysieke ondergrond van het landschap.

Emanuelsson zette met zijn verhaal de toon voor de vijfentwintigste PECSRL, en liet ook zien dat er een trendbreuk gaande is in het landschapsonderzoek. Dat gaat niet meer om het behouden en beheren van cultuurhistorie of ecologie alleen, zoals in de vorige eeuw, het gaat om het feit dat het landschap continu verandert en altijd zal blijven veranderen. En het feit dat de mens hierbij altijd een belangrijke rol zal spelen. Puur ecologisch of cultuurhistorisch behoud is daarom niet gewenst, het is zoeken naar een holistische en integrale benadering en oplossingen voor een multifunctioneel landschap.

Toepassingsgericht, interdisciplinair en participatief

Dat verandert ook het landschapsonderzoek, bleek tijdens de conferentie. In tientallen workshops presenteerden landschapsonderzoekers een enorm brede waaier aan onderzoek. Zo presenteerden Noorse en Slovenische onderzoekers een vergelijkende analyse van het landgebruik in de bergen van deze landen, hielden Deense onderzoekers een enquête onder landeigenaren over het toelaten van wandelaars en recreanten op hun land, keek de Engelsman Michael Jones naar de rol van de rune van bezit (de Odal) als gewoonterecht op het eigendomsrecht in Noorwegen, en werd in Vlaanderen met ‘eye tracking’ gekeken hoe mensen naar landschappen kijken. Daarnaast waren er veel historische onderzoeken naar veranderingen in het landschap, veel participatief onderzoek, maar ook veel aandacht voor nieuwe ontwikkelingen zoals de klimaatverandering.

Volgens de Vlaamse geograaf Marc Antrop is het landschapsonderzoek over het algemeen in de laatste decennia meer toepassingsgericht, meer interdisciplinair en meer participatief geworden. De hoogleraar geografie aan de Universiteit van Gent is al sinds de jaren tachtig deelnemer aan de PECSRL-conferenties. Volgens hem heeft het landschapsonderzoek sinds die tijd zich allereerst verbreed met nieuwe disciplines, zoals de geografische informatiesystemen, de landschapsecologie en de archeologie, maar ontstaan er nu meer integrale benaderingen van het landschap waarin diverse disciplines elkaar kruisen.

Unieke karakter

Antrop ziet vier ontwikkelingen in het huidige landschapsonderzoek. Allereerst is er de zoektocht naar de culturele en maatschappelijke context van het landschap. Dit komt volgens Antrop vooral uit het Verenigd Koninkrijk, waar veel gewerkt wordt met ‘landscape character assessments’ (LCA). Hiermee worden karakteristieke elementen geïdentificeerd, die het landschap zijn unieke karakter geven. “Dat zijn dingen die aanspreken bij het publiek.”

Ten tweede is er de steeds sterker wordende invloed van de archeologie, omdat het bij bouwwerkzaamheden verplicht is archeologisch onderzoek te doen vanwege het Verdrag van Malta. Hierin staat dat archeologische vondsten niet tot nauwelijks mogen worden verstoord. Dit leidde in Nederland tot een enorme hausse aan archeologisch onderzoek, onder meer langs de Betuwelijn, met spectaculaire vondsten van complete prehistorische jachtkampen en boerderijen, een boomstamkano en de oudste skeletresten van Nederland.

Eye catching

Dan zijn er de onderzoekers die via de ecologische bril naar de landschapsgeschiedenis kijken. Landschapsecologen onderzoeken bijvoorbeeld hoe het landschap zich ecologisch tot de huidige vorm heeft ontwikkeld, en welke ecologische randvoorwaarden daarvoor belangrijk zijn. Zo ontstaat inzicht in de noodzaak tot ecologisch beheer. Antrop schaart hieronder ook de landschapsarchitecten met hun masterplannen en gebiedsontwerpen.

De vierde ontwikkeling is het onderzoek naar de perceptie van het landschap. Dat is breed. Omgevingspsychologen doen bijvoorbeeld onderzoek naar de relatie tussen natuur en gezondheid, of de manier waarop mensen naar het landschap kijken, zoals in het Vlaamse onderzoek met de eye catching-techniek. Maar hier is ook een plek voor sociologisch onderzoek naar hoe mensen het landschap gebruiken, waarom ze zich bijvoorbeeld in actiegroepen verenigen, en bestuurskundig onderzoek naar de beleidsmatige gevolgen hiervan.

Nationalistisch discours

Zo ontwikkelt het Europese landschapsonderzoek toepassingsgerichte, interdisciplinaire en participatieve methoden om de identiteit van een regionaal of lokaal landschap te koppelen aan historische en archeologische waarden, de ecologische rijkdommen en ook de perceptie van de mensen die dat landschap gebruiken.

Hierbij speelt de Europese Landschapsconventie een belangrijkere rol dan je als buitenstaander zou denken. De meeste mensen zien de conventie, die in 2000 is opgesteld en vijf jaar daarna door de meeste Europese landen is geratificeerd, vaak als een papieren afspraak om het Europese landschap te beschermen, maar Antrop ziet dat anders. “Een van de redenen dat de Europese Landschapsconventie zo snel geratificeerd is door zoveel Europese landen, en dat men dat zo snel ging uitwerken, is dat er rondom landschap een onderliggend discours speelt, een nationalistisch discours.”

Europese Landschapsconventie

In de discussie rondom de landschapsconventie is volgens Antrop een gevoel ontstaan dat landschap een gemeenschappelijk goed, een erfgoed dat bijdraagt aan het gevoel van identiteit van landen en regio’s. De discussie ging dan ook niet alleen over landschap, maar ook over cultuur, taal, identiteit en nationaliteit. Dat is ook niet zo vreemd, vindt Antrop. “Als je goed kijkt, zie je dat de karakteristieke landschappen volledig overeenkomen met de etnische indeling, de talen, de naties.”

Dat uit zich ook in het onderzoek, want de koppeling van landschappen aan cultuur en identiteit maakte dat regio’s en landen overal in Europa het landschap als eigen erfgoed zijn gaan karakteriseren. “Overal in Europa worden karakteriseringen gemaakt van het landschap, landschapscatalogussen. Dat gebeurt bijvoorbeeld in Catalonië. Daar wordt een enorm pak geld ingestoken vanuit de regio Catalonië.” In Vlaanderen is in 2001 een Landschapsatlas gemaakt. In Nederland is dit terug te vinden in bijvoorbeeld de vele Cultuurhistorische Waardenkaarten van provincies en gemeenten.

Participatief onderzoek

Ook de toenemende nadruk op participatief onderzoek moet vanuit dit perspectief worden bekeken, aldus Antrop. Er is vanuit het beleid en de politiek meer aandacht voor bestuurskundig, sociologisch of participatief onderzoek en de rol die burgers spelen ten aanzien van dat landschap. Ook in Nederland is er veel meer participatief onderzoek, bijvoorbeeld onderzoek naar de beweegredenen van burgers om in een actiegroep te willen zitten, of onderzoek dat is gericht op de participatie van burgers in een gebiedsontwikkeling of een landschapsontwerp. Deze ontwikkeling speelt overal in Europa.

Veel landschapsonderzoekers kijken met pijn in hun hart naar de toenemende invloed van bestuurskundigen, sociologen en psychologen in het landschapsonderzoek. De angst leeft dat dat men meer nadruk legt op het participatieve onderzoek ten koste van het meer integrale, landschapshistorische, -geologische en -ecologische onderzoek van bijvoorbeeld historisch geografen. Participatie is belangrijk om bijvoorbeeld naar nieuwe functies voor cultuurlandschappen te zoeken, vinden veel onderzoekers, maar vergeet niet dat het landschap wel verandert maar slechts beperkt maakbaar is.

Menselijke invloed

Duidelijk werd wel op de PECSRL dat landschapsonderzoekers het blik op de toekomst hebben gericht. Veel van het onderzoek was er juist op gericht hoe het landschap verandert, maar ook hoe de geschiedenis van dat telkens veranderende landschap een basis kan vormen om het landschap in de toekomst vorm te geven en te beheren. Je zou dan ook kunnen zeggen dat Emanuelsson tijdens de conferentie voor alle deelnemers sprak met zijn oproep om beter te kijken naar de vormingsgeschiedenis van het landschap als basis voor toekomstige ontwikkelingen. “We moeten strategieën ontwikkelen voor het landschap die passen bij de geschiedenis van het landschap. Daarbij gaat het niet alleen om landschappelijke of ecologische zaken maar ook om de mensen die in die landschappen leven.”

De grootste uitdaging voor de toekomst ligt volgens Emanuelsson in het behoud van de halfopen cultuurlandschappen, zoals de kleinschalige en licht beboste koeienweides of de heidevelden met hun struwelen. Een goed voorbeeld is het onderzoek van Yves Michelin van de Clermont Université in de Chaîne des Puys. Deze keten van tachtig uitgedoofde vulkanen in het Centraal Massief van Frankrijk is sinds 2000 beschermd als natuurgebied, en werd door mensen uit de regio maar ook door beleidsmakers en politici dan ook beschouwd als natuurlijk en wild. Die natuurlijke wildernis was voor beleidsmakers de basis voor het plan om het landschap als werelderfgoed te bestempelen. Lokale boeren en bosbouwers werden dan ook geweerd. De onderzoekers lieten echter via participatief, landschapshistorisch onderzoek zien dat de bergen al vanaf de middeleeuwen werden begraasd, en dat ze er daardoor zo natuurlijk uitzien. Nu worden er plannen gemaakt om het werelderfgoed opnieuw met schaapskuddes te begrazen.

De geschiedenis leert dus dat menselijke invloed op het landschap helemaal niet slecht hoeft te zijn, zoals ecologen of milieuactivisten vaak poneren. Emanuelsson: “Milieumensen weten weinig over het landschap, zij willen de wereld redden. Alle menselijke invloed is slecht, denkt men daarbij vaak.” Het manmade landschap van Europa is bovendien best robuust, en is veel minder vatbaar voor grootschalige veranderingen dan je zou denken. “In dat opzicht is het een zege dat het eigenaarschap van het landschap in Europa zo versnipperd is. Het is zeer moeilijk voor grote bedrijven om in één klap grote gebieden op te kopen voor landbouw of bosbouw, zoals gebeurt in Zuid-Amerika voor sojateelt of in Afrika voor de Chinese markt.”



De PECSRL is een informeel en internationaal netwerk van geografen, historisch geografen, landschapsecologen, bestuurskundigen, sociologen, historici, filosofen, ecologen, gis-onderzoekers, planologen en beleidsmakers. Doel is om tweejaarlijks een conferentie over landschapsonderzoek te organiseren.

Waar is Europa’s natuurgeld het meest waard?

In Nederland worden miljoenen euro’s gestoken in het herstel van oude en ecologisch interessante cultuurlandschappen voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat. In Italië en Portugal zijn veel van zulke cultuurlandschappen nog intact, maar ontbreekt het juist aan geld voor het beheer. Vanuit Europees perspectief roept dat de vraag op waar investeringen voor Natura 2000 het meest lonen.

Landwerk, december 2012 (Download als pdf: Waar is Europa’s natuurgeld het meest waard?)

Miljoenen euro’s worden er in Nederland geïnvesteerd in het herstel van oude cultuurlandschappen. Een voorbeeld: in september maakte provincie Noord-Brabant bekend dat ze onder de noemer ‘landschappen van allure’ 56 miljoen euro gaat investeren in Het Groene Woud, de Maashorst en de Brabantse Wal. En dat terwijl in 2002 ook al 27 miljoen euro uitgetrokken werd voor het herstel van de culturele, natuurlijke en recreatieve aspecten van het landbouwlandschap van Het Groene Woud.

Topregio

De investeringen in het herstel van oude cultuurlandschappen dienen vele doelen, maar die moeten allemaal leiden tot een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bewoners en bedrijven. Van de site van provincie Noord-Brabant: “Mooie landschappen houden Brabant aantrekkelijk om in te wonen, werken en recreëren. Zo werkt de provincie Noord-Brabant samen met partners aan haar ambitie om een Europese topregio op het gebied van kennis en innovatie te zijn én te blijven.”

Hoe compleet anders is de situatie in de Portugese Serra da Estrella, een natuurreservaat in het oosten van Portugal bij de stad Guarda. Hier is het traditionele cultuurlandschap nog grotendeels intact. De Serra da Estrella is een van de weinige gebieden in Europa waar boeren nog steeds met traditionele heidelandbouwmethoden werken. Bij Covão da Ponte in de Mondego-vallei bijvoorbeeld houdt de jonge boer Lemos Santos driehonderd geiten op zijn weide in de vallei. De mest wordt gebruikt voor de gerst- en roggeakkers hogerop in de heuvels, die omringd worden door bergeiken, tamme kastanjes, brem en dopheide. Bovenop het heuvelgebied domineren vele meertjes met waterranonkel, gele gentiaan, jeneverbes en borstelgras, de bron voor het irrigatiewater in de vallei.

Traditionele, gemengde bedrijven

In oktober bezochten onderzoekers en beleidsmakers van het internationale Rural European Platform het natuurreservaat vlakbij Guarda in het kader van een workshop over nieuwe economische mogelijkheden van natuurgebieden. Dat gebeurde onder leiding van ecoloog Jan Jansen van bureau Pan & Demeter, die al tientallen jaren in het gebied onderzoek doet. Op de Facebook-pagina die hij samen met anderen onderhoudt over het gebied worden continu nieuwe vondsten van bijzondere vegetatie geplaatst. Dat de Serra da Estrella een Natura 2000-gebied is, is volgens Jansen voor een groot deel te danken aan de boeren met hun traditionele, gemengde bedrijven.

Het probleem is echter dat die traditionele, extensieve landbouw niet loont. Dat is in de Mondego-vallei duidelijk te zien. Lemos Santos boert nu op de plek waar vroeger een klein dorpje ligt, tussen duidelijk verlaten boerderijtjes ligt het oude schoolgebouw dat nu gebruikt wordt als woning, vlakbij de grazende geiten. Hier kunnen de boeren zelf het cultuurlandschap nog herstellen. Lemos Santos heeft nieuwe irrigatiekanaaltjes uitgegraven om het beekwater van de heuveltoppen effectiever te gebruiken. Ook elders herstellen jonge boeren traditionele vloeiweides of rotatiesystemen die hun ouders hadden verlaten.

Zwartgeblakerde restanten

De keerzijde daarvan is op diverse plekken in het gebied duidelijk zichtbaar, in de vorm van geschroeide en zwartgeblakerde restanten van bosbranden. Om toch geld te verdienen stimuleerde de Portugese overheid investeringen in grootschalige productiebossen met den en eucaliptus, en dat leidde tot grootschalige bosbranden. Het ironische is dat 99% van die branden wordt aangestoken door mensen. Daarmee krijgt het cultuurlandschap een zwart randje, want mensen steken niet alleen de branden aan, het gebrekkige beheer zorgt ook nog eens dat de branden enorme oppervlakten natuur dan wel cultuurlandschap vernietigen.

De Serra da Estrella is een economisch arm gebied. De landbouw is te kleinschalig en extensief om er goed geld mee te verdienen. Afgezien van de paar dagen dat mensen uit Lissabon de sneeuw op de bergtoppen komen bewonderen, is er weinig tot geen regionaal toerisme. En dat de hoogvlakte met zijn vele meertjes juist dankzij de terrassen van de landbouw een van de belangrijkste voorraden is voor de drinkwatervoorziening van Lissabon, daarvoor is ook geen geld beschikbaar.

Jetset en dagjesmensen

Een vergelijkbare problematiek speelt in het Parco Naturale Regionale di Portofino, even ten zuiden van Genua. Ook hier zijn menselijke activiteiten nodig om de biodiversiteit te behouden, blijkt uit een in augustus gepresenteerd landschapsecologisch onderzoek van Theo van der Sluis en Bas Pedroli van Alterra. Het park is in 1935 als natuur bestemd, maar de meeste biodiversiteit zit juist op de plekken die door mensen zijn gemaakt. Van der Sluis: “De kleine weitjes op de terrassen telden per honderd vierkante meter zeventig soorten, het struikgewas (de macchia) slechts zo’n dertig.”

De regio rondom het park is geen arme regio, zoals de Serra da Estrella. Vlakbij het park ligt het pittoreske havenplaatsje van Portofino, misschien wel het mooiste vissershaventje van de Middellandse Zee, waarvan zelfs een replica is gebouwd in het Universal Orlando Resort in Orlando, Florida. Het plaatsje is gewild bij de jetset. Miljardair en voormalig premier Silvio Berlusconi heeft er net als vele andere rijken een huis, en er komen veel dagjesmensen.

Bosbranden en erosie

Om de biodiversiteit te behouden, moet men dus op zoek naar nieuwe manieren om het oude cultuurlandschap opnieuw te gebruiken. Anders raken de door mensenhanden gemaakte en eeuwenlang onderhouden terrassen met olijfbomen en tamme kastanjes, waar boeren vroeger olijfolie en kastanjemeel van maakten, overgroeid en vervallen. Ook is er gevaar van bosbranden en van erosie op de steile hellingen. “De muurtjes van de terrassen moeten dus worden onderhouden”, aldus Van der Sluis.

Het probleem is dat daar, ondanks de rijke mensen in de buurt, nauwelijks financiering voor te vinden is. De overgebleven vijfentwintig boeren en hobbyboeren proberen te leven van de productie van olijfolie, kastanjes en wat veeteelt en akkerbouw, maar veel houden er mee op. Van de zeshonderd hectare landbouwgrond in 1936 is er nu honderd over. Van de actieve boeren zijn de meesten hobbyboer. Ook een agritourismo levert ondanks het drukke toerisme rondom het havenstadje relatief weinig inkomsten op. Bovendien houdt het parkbeheer volgens Van der Sluis vast aan ecologisch beheer, wat onder meer betekent dat de wilde zwijnen vrij spel krijgen om te wroeten in de terrassen.

Europees probleem

De teloorgang van natuurrijke cultuurlandschappen die voor hun beheer afhankelijk zijn van extensieve landbouw is een Europees probleem. Volgens Van der Sluis staat het verhaal van Portofino als voorbeeld voor veel gebieden rondom de Middellandse Zee. Maar ook in Nederland zijn dergelijke cultuurlandschappen te vinden. “Neem de hooilanden langs de Drentsche Aa. Die moet je hooien, anders wordt het broekbos.” Extensief landbouwkundig beheer is daarvoor nodig, maar hoe betaal je dat?

Het is dus zoeken naar nieuwe economische dragers voor de financiering van traditioneel landschapsbeheer dat leidt tot een rijke biodiversiteit. Beleidsmakers en wetenschappers uit de Serra da Estrella hebben daarvoor hun oog laten vallen op de vergroening van het nieuwe Europese landbouwbeleid. “We hebben een strategische coherente programmering nodig tussen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en bijvoorbeeld het natuurbeleid”, hield Eugénio Sequeira van de Sociedade de Geografia de Lisboa de deelnemers van het Rural European Platform in Guarda voor. Ook wordt gekeken naar nieuwe vormen van ecotoerisme.

Nieuwe markten

Vanuit Europees perspectief roept de kwestie ook de vraag op waar het voor de Europese Unie interessant is om te investeren in bijvoorbeeld Natura 2000. Jansen maakte tijdens de workshop van het Rural European Platform de vergelijking tussen de Serra da Estrella en Noord-Brabant. Kort door de bocht klinkt het als een harde tegenstelling: terwijl boeren in Portugal nauwelijks kunnen leven van het in stand houden van de biodiversiteit van een Natura 2000-gebied die leidt tot een verzekering van de drinkwatervoorziening van Lissabon en een bescherming tegen grootschalige bosbranden, kan in Noord-Brabant miljoenen euro’s geïnvesteerd worden om een Natura 2000-gebied in de markt te zetten als een interessant vestigingsklimaat.

Zo kort door de bocht is de werkelijkheid natuurlijk niet. De investeringen in Noord-Brabant worden niet alleen gedaan met Europees geld, maar ook met geld uit de verkoop van energieproducent Essent. En regio’s als Serra da Estrella of Portofino moeten gewoon zelf zoeken naar nieuwe markten voor hun waardevolle cultuurlandschap, zodat dat voor boeren een prettig vestigingsklimaat krijgt. Toch roept een vergelijking tussen Nederland en landen rondom de Middellandse Zee de vraag op hoe Europa denkt Natura 2000 te verwezenlijken in tijden van economische crisis. Waar moet Europa investeren? Waar is het natuurgeld van Europa het meeste waard? En de vraag die veel natuurbeheerders ook in Nederland zich tegenwoordig stellen: welke verdienmodellen zijn er voor natuur en landschap? En hoe organiseer je zoiets?

Recht heeft sectorale oogkleppen op

De enige landschapsjurist van Nederland heeft een nieuw boek geschreven, Recht voor de groenblauwe ruimte. Fred Kistenkas schetst daarin een wetgever met ADHD die met een wirwar aan regels vooral sectorale belangen behartigt. Dat past niet bij duurzame gebiedsontwikkeling en multifunctionele landschappen. Kistenkas pleit daarom voorzichtig voor een juridische weging van alle belangen die in het landschap spelen – de drie p’s van people¸ planet, en profit. “Op een gegeven moment wordt het wel duidelijk dat dit een doodlopende weg is.”

Landwerk 4 2012

Fred Kistenkas twijfelt. Als jurist is hij gespitst op goed uitgedacht taalgebruik. Of het Nederlandse recht oogkleppen op heeft als het gaat om het landschap? “Ik vind het wel een mooie metafoor.” Het recht weegt niet belangen af vanuit het oogpunt van multifunctioneel ruimtegebruik of duurzame gebiedsontwikkeling, maar toetst volgens de harde criteria van de ecologie of de economie van bijvoorbeeld de natuursector of de bouwsector.

Landschapsrecht bestaat niet

Als jurist snapt Kistenkas wel waarom die toetsing plaatsvindt. “Het is zuiver en het is gemakkelijk voor ambtenaren, juristen en beleidsmakers. Maar het levert niet per definitie duurzame gebiedsontwikkeling op.” De ecologische of economische toetsingskaders zijn bedoeld om de belangen te behartigen van bijvoorbeeld de natuur of de woningbouw, en niet die van het veelal multifunctioneel ingerichte landschap. Maar het recht redeneert niet vanuit het landschap. “Misschien ben ik wel geen jurist meer”, zegt hij tongue in cheek, “en ben ik wel teveel door de Wageningse bril beïnvloedt.”

Kistenkas werkt voor Alterra, en doceert aan Wageningen Universiteit. Vooral voor dat onderwijs heeft hij onlangs in het prettig leesbare boek Recht voor de groenblauwe ruimte op een rijtje gezet welke juridische aspecten spelen rondom het landschap. Daarin concludeert hij eigenlijk dat landschapsrecht niet bestaat. Dat is ook te zien in het universitaire landschap. In Amsterdam doceert men wel het recht voor de ruimtelijke ordening van de bebouwde omgeving, in Tilburg is er aandacht voor de natuurwetgeving, maar nergens is er integrale aandacht voor het landschap. Opmerkelijk, vindt Kistenkas.

Bril van regels en wetten

Vanuit landschappelijke bril kun je Kistenkas gelijk geven. In het landschap komt immers alles samen, zo lijkt de logica. En praten we in beleid, politiek en belangengroepen al niet decennia over multifunctioneel ruimtegebruik, integrale gebiedsontwikkeling, draagvlak, participatie en noem het maar op? Kistenkas geeft in zijn boek ook aan dat het landschappelijk heel gewoon is om te praten over de drie p’s van people¸ planet, en profit, maar dat dat in de huidige juridische kaders niet terug komt.

De wetgever bekijkt de werkelijkheid met de bril van regels en wetten. En de afgelopen jaren is er veel nieuwe wet- en regelgeving bij gekomen, naast de in 2008 vernieuwde Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de uit de vorige eeuw stammende Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Kistenkas schrijft daar vilein over: “Na de nieuwe Wro van 2008 was er in wezen sprake van een legislatief perpetuum mobile van over elkaar buitelende wetsontwerpen. In 2008 schreef ik het boekje Recht voor de groene ruimte, dat was aanzienlijk dunner.” Zijn nieuwe boek is twee keer zo dik, en dat komt niet alleen omdat er een hoofdstuk is opgenomen over de Noordzee, maar ook door de steeds maar uitdijende regelgeving.

Duizelingwekkend

Alleen al die nieuwe wetgeving is duizelingwekkend in zijn complexiteit. Kistenkas somt in zijn boek op: het concept van de Algemene maatregel van Bestuur Ruimte (AMvB Ruimte), met specifieke regels voor speciale landschappen; het ontwerp van de nieuwe Wet Natuur die de bestaande Natuurbeschermingswet, de Flora- en faunawet en de Boswet moet vervangen, met regels die de Nederlandse toepassing van Europese natuurwetgeving moet regelen; de Crisis- en Herstelwet met regels die het mogelijk maken dat gemeenten afwijken van milieunormen om economische ontwikkeling mogelijk te maken.

Dit komt allemaal bovenop bestaande wet- en regelgeving als de Wro, het Europese natuurbeschermingsrecht, het Europese landbouwbeleid, de EHS, de Boswet, de Natuurschoonwet, de Nationale Landschappen, en de Nationale parken. Al die wetgeving maakt dat er een enorme stapeling van beleid ontstaat. “Er zijn veertien beleidscategorieën”, vertelt Kistenkas. Een gebied kan beschermd zijn als Natura 2000-gebied, als EHS, als werelderfgoed, als houtopstand, als landgoed, als Nationaal Landschap en als Nationaal Park – allemaal tegelijk of apart.

Contraproductief

De enorme werklust om nieuwe wet- en regelgeving te produceren werkt contraproductief, en wordt in juridische kringen dan ook wel bekritiseerd als ‘legislatieve ADHD’ of ‘wetgevingstsunami’. Elke wet heeft namelijk zijn eigen, veelal sectoraal ingestoken toetsing, en dat past nauwelijks bij de ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap, die meer en meer gericht zijn op multifunctioneel ruimtegebruik en integrale gebiedsontwikkeling.

Kistenkas is helder over de schuldige, dat is de wetgever. “Het recht is schuldig aan de beleidsstapeling.” Het verbaast hem daarom dat er al jaren geroepen wordt dat er minder regels moeten komen en dat het beleid dankzij de decentralisatie simpeler zal zijn. “Er wordt iets anders geroepen dan dat er gedaan wordt, niet alleen qua controle maar ook qua regels.”

P’s sneuvelen

Volgens Kistenkas is de decentralisatie van het natuur- en landschapsbeleid naar de provincies toe gepaard gegaan met een enorme toename aan wet- en regelgeving. “Zelfs rechtse kabinetten gaan door met het verzinnen van nieuwe toetsen”, aldus Kistenkas. “De Crisis- en herstelwet gaat hetzelfde doen als de natuurwetgeving, maar dan een rode toets. Je mag daarbij alleen maar kijken naar de economische ontwikkeling.”

Zo kijkt de wetgeving met oogkleppen op naar deelbelangen, en niet naar het grotere plaatje van het landschap. Kistenkas noemt als voorbeeld de herontwikkeling rond voormalig militair vliegveld Soesterberg. “Je ziet daar de reeën over de startbaan lopen, dat is natuur, zou je denken. Maar als je een gebiedsontwikkelingsplan hebt, dan kun je je gang gaan. Dan heeft de economie voorrang, en dan weet je dat de p’s van people en planet sneuvelen. Van de wet moet je kiezen voor het ene of het andere.”

Nederland niet op slot

Andersom maakt een ecologische, groene toets het soms weer onmogelijk om ruimtelijke ontwikkelingen los te krijgen die nauwelijks schadelijk zijn voor het milieu. Daar zijn voorbeelden van, maar Kistenkas verzekerd in zijn boek opnieuw dat de veel gebezigde klaagzang dat Nederland ‘op slot’ zit gewoonweg niet klopt. Wel wordt in zo’n sectorale toetsing telkens gekozen voor de volle honderd procent van één sector, terwijl er geen afweging wordt gemaakt met de belangen van andere sectoren.

Het landschap krijgt in de wet- en regelgeving bijna ongemerkt zijn eigen toetsingskaders. In de AMvB Ruimte – ook wel Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) genoemd – worden nieuwe beschermde landschappen genoemd met geheel eigen juridische regels. Hierin wordt bijvoorbeeld het nee, tenzij-regime voor de EHS wettelijk geregeld en dus juridisch afdwingbaar. Daarnaast zijn er speciale juridische regels voor de Waddenzee, de kust, het IJsselmeer en het werelderfgoed van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de Beemster, de Stelling van Amsterdam en de Romeinse Limes.

Barro veel strenger

Kistenkas verbaast zich dat hierover nauwelijks discussie is ontstaan, terwijl er wel heftige debatten ontstonden naar aanleiding van de nieuwe Natuurwet en de Crisis- en herstelwet.  “De beschermingsregimes in de Barro zijn veel strenger dan die in veel andere wet- en regelgeving.” Ook hier gaat het om toetsingskaders die uitgaan van landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten. Zo is er in de Waddenzee een nee, tenzij-regime als het gaat om rust, weidsheid, open horizon en natuurlijkheid, en een absoluut bouwverbod voor windturbines, jachthavens, vliegvelden en inpolderingen. Ook hier gaat het wederom om een toetsing, maar hier zijn er geen harde ecologische of economische parameters maar ‘zachte’ en subjectieve kwaliteiten als openheid en rust.

Ondanks de vele kritiek die zijn boek Recht voor de groenblauwe ruimte bevat op de oogkleppen waarmee het recht naar het landschap kijkt, is Kistenkas in zijn eindoordeel opmerkelijk mild. Hij nuanceert de legislatieve ADHD van de afgelopen jaren in een vergelijking met het bestuursrecht. “Dat bestond toen ik in de jaren zeventig studeerde uit een dun stapeltje. Dat verdubbelde in tien jaar tijd. Tot in de jaren negentig de Algemene wet bestuursrecht kwam, die maakte dat het aantal pagina’s weer aanzienlijk verminderde.” Hij begrijpt de juridische wirwar dus wel.

Doodlopende weg

Toch houdt Kistenkas aan het eind van zijn boek een klein pleidooi voor een wet- en regelgeving die niet meer is gebaseerd op de toetsing van ecologische, economische of landschappelijke kaders maar op de weging van de drie p’s van people, planet en profit. Waarom hij dat niet verder uitwerkt? “Dat moet je niet uitwerken. Regels kunnen niet alles regelen. Je moet omdenken. Toetsen betekent ja of nee, het mag of het mag niet. Wegen betekent dat er een meerwaarde ontstaat voor alledrie de p’s – people¸ planet, en profit. Je haalt dan nooit voor één p de volle honderd procent, maar het landschap verbetert wel.”

Kistenkas is ook nog hoopvol over de toekomst van het landschapsrecht of de juridische benadering van het landschap. “Op een gegeven moment wordt het wel duidelijk dat dit een doodlopende weg is.” De Nederlandse overheid werkt aan een nieuwe omgevingswet, waarin veel van de in zijn boek behandelde wet- en regelgeving verwerkt gaat worden. “De vele haastig over elkaar heen buitelende wetsontwerpen en de wens om uiteindelijk tot een totaal nieuw codificerend wetboek (Raamwet Omgevingsrecht) te komen geven intussen wel aan dat het groenblauwe omgevingsrecht in een onrustige transitoire fase geraakt”, schrijft hij in zijn boek.

Er komt dus verandering, maar of er een Nederlands landschapsrecht komt is net zo onzeker als veel andere dingen in de huidige politieke, culturele en economische crisis. Misschien gaan met het nieuwe omgevingsrecht ook de oogkleppen af, en ontstaat er zelfs zicht op een juridische weging van alle mogelijke belangen in plaats van een wirwar aan sectorale juridische toetsingskaders. Nuchter als hij is, loopt Kistenkas daar niet op vooruit. Zijn boek geeft ondertussen wel de kaders weer voor de discussie die gevoerd zal moeten worden.

‘Streekproducten hebben geen last van de crisis’

De Veluwe is elf Erkend Veluwse Streekproducten rijker: brood, wijn, bier, eieren, aardappelen, gerookte forel, bronwater en stoofpotjes. Gegarandeerd gemaakt door Veluwenaren van Veluwse grondstoffen. Wellicht is dit een mooie start voor een intensieve samenwerking tussen ondernemers voor een betere, ambachtelijkere en duurzamere voedselproductie op de Veluwe.

Nieuwe Veluwe, augustus 2012

Een druilerige dag, maar de parkeerplaats van ’t Smallert in Emst staat toch behoorlijk vol. Mannen en jongens laden hengels, zitkisten, schepnetten en andere spullen uit de auto om op de forellen te vissen in de visvijvers van het recreatiepark. Op het erf van De Lankerenhof in Voorthuizen is het kakelen van de kippen het enige rumoer dat je hoort. Bruine kippen scharrelen rond in de groene omgeving en in de skybox kun je kijken naar de kuikens die later biologische eieren gaan leggen.

Twee totaal verschillende bedrijven, elk met een compleet andere sfeer. Toch hebben ze één ding gemeen: ze produceren een Erkend Veluws Streekproduct. ’t Smallert kweekt forel en zalmforel, die ambachtelijk in grote rooktonnen op de gewenste smaak worden gebracht. De Lankerenhof produceert biologische eieren met voer uit de Veluwe, die onder de naam Bleieren in de streek worden verkocht.

Certificaat

Op 25 mei kregen de eerste elf Veluwse producenten het certificaat Erkend Veluws Streekproduct. Twee bakkers voor Veluws brood en twee wijngaarden voor hun wijnen. Akkerbouwbedrijf De Blekenbrink in Klarenbeek teelt moderne en traditionele aardappelrassen, Veluwse Streekproducten uit Vaassen stooft lekkere stoofpotjes van Veluwse edelherten en wilde zwijnen, De Veluwse Heidebrouwerij brouwt bier in Ede en aQaaQa bottelt Veluws bronwater op landgoed Rhederoord in De Steeg. Allemaal voldoen ze aan de vijf eisen die Stichting Erkend Streekproduct aan de producten stelt (zie kader).

‘Het certificaat laat zien dat het klopt wat een ondernemer doet’, legt René de Bruin van Streekeigen Producten Nederland (SPN) uit. SPN beheert het Erkend Veluwse Streekproduct en toetst de producten op de vijf eisen. ‘Omdat de toetsing onafhankelijk gebeurt, krijgt het verhaal van de ondernemer onderbouwing en wordt het onderschreven. Het laat zien dat hij zich inzet voor het streekeigene, maar ook voor duurzaamheid, diervriendelijkheid en het landschap.’

‘Het certificaat betekent dat nu eindelijk vastligt wat je al jaren doet’, zegt Gerrit Hammink van de Veluwse Heidebrouwerij vanachter de toog van zijn café, met uitzicht op de brouwerij. Hammink begon als hobby te brouwen met regionale gerst en hop, en combineerde dat met een vleugje honing van de Ginkelse Heide tot een uniek smakend biertje, het Veluwse Heidebier. Sinds dit jaar heeft de brouwerij een professionele locatie, in een van de monumentale gebouwen van de door militairen verlaten Prins Mauritskazerne in Ede. Daar brouwt Hammink niet alleen, hij geeft ook rondleidingen en leert mensen zelf brouwen.

Ambachtelijk en regionaal samenwerken

Zo combineren de erkende producenten vaak regionale grondstoffen en een ambachtelijke werkwijze met een regiogerichte verkoop en marketing. De Blekerbrink verkoopt de aardappelen alleen op de boerderij. De twee bakkers betrekken hun meel van Veluwse akkerbouwers en molenaars. Bakker Piet werkt samen met graanteler Aart Versteeg in Uddel, Biologische Zadenkwekerij De Bolster in Epe en Molen De Maagd in Hulshorst. Bakkerij Tom van Otterloo doet dit met biologische boerderij De Kruytbosch in Hall en de Witte Watermolen in Arnhem.

Streekproducten produceren betekent dus ook – en misschien wel vooral – samenwerken met andere producenten in de regio. Dat is precies waar de erkenning als streekproduct om draait, licht René de Bruin van SPN toe. ‘Via het keurmerk willen we de samenwerking tussen regionale ondernemers stimuleren. Het is een middel om te zorgen dat ondernemers afspraken gaan maken om samen te werken in de regio.’

Pieperkast

Bij een rondgang langs de erkende streekproducenten valt op dat veel producenten aan de rand van de Veluwe zitten. Logisch, want het hart van de Veluwe is toch vooral natuur. En hoewel bronwater Aqaaqa van landgoed Rhederoord van een prachtige locatie komt, hebben de meeste bedrijven een bescheiden plek. Bakker Piet in Elspeet heeft een grote, maar gewone winkel in het centrum van het dorp. Daar liggen in een apart schap de Puur Veluws-broden, wit, volkoren, meergranen, donker en spelt. Ook Bakkerij Tom van Otterloo heeft in De Steeg en Arnhem normale winkels. Aardappelteeltbedrijf De Blekenbrink ziet er van buiten uit als een gangbare boerderij en onderscheidt zich enkel door de ‘Pieperkast’, waar mensen zelf vijf of tien kilo aardappelen kunnen kopen. Niet alle producenten hebben een winkel. Veluwse Streekproducten en ’t Smallert verkopen hun stoofpotjes en gerookte vissen vooral op streekmarkten. De Veluwse Heidebrouwerij met café in de Mauritskazerne in Ede levert ook bier aan kroegen en slijters in de regio.

Twitter-aanbieding

Streekproducten hebben geen last van de crisis. Bierbrouwer Hammink kan de vraag nauwelijks aan. Verschillende lokale kroegen staan op de wachtlijst. Op Wijnhoeve De Veluwe zijn van de echt lekkere, jaren opgelegde wijnen nog maar weinig flessen verkrijgbaar, vertelt eigenaar Nanny Schut. Ook bakker Tom van Otterloo doet het goed, vooral als hij via Twitter aandacht vraagt voor speciale Twitter-aanbiedingen.

Genoeg kansen om te groeien. Toch willen de producenten dat niet. De meesten zijn een familiebedrijf en willen dat zo houden. Hammink brouwt samen met zijn zoon, een deur verderop runt zijn vrouw Ineke een ambachtelijke zeepmakerij met haar dochter. Als hij meer bier wil brouwen, zal hij personeel moeten aannemen voor zijn café, en daar hikt hij wat tegenaan. Op De Lankerenhof doet Chris Borren de boerderij en Marjanne staat journalisten en anderen te woord en regelt de administratie en marketing. Om minder tijd kwijt zijn aan de verkoop van de eieren werken ze samen het verwerkingsbedrijf Eicom.

Productiewijze getoetst

Veel van de erkende streekproducten staan ook in regionale supermarkten en winkels bij elkaar te koop onder het merk Veel Luwe, maar Hammink, Borren en Schut hechten meer belang aan het nieuwe certificaat Erkend Veluws Streekproduct. Veel Luwe werd drie jaar geleden gelanceerd door het Veluws Bureau voor Toerisme en de provincie Gelderland, als promotiecampagne voor de Veluwse streekproducten. ‘Veel Luwe werkt wel als marketing voor producten in de supermarkten en winkels in de Veluwse dorpen en steden’, stelt Schut, ‘maar het betekent weinig voor de naamsbekendheid en de verkoop op het eigen bedrijf.’ ‘Juist de nadruk op de productiewijze maakt dat Erkend Veluws Streekproduct meer betekent’, vult Hammink aan.

Er zit dus zeker een belangrijk verschil tussen Veel Luwe en het Erkend Veluws Streekproduct. Veel Luwe is met name bedoeld om het imago van de producten van de Veluwe te verbeteren. De enige criteria om mee te kunnen doen zijn dat producenten op de Veluwe zijn gevestigd en bij hun producten een Veluws verhaal hebben. De erkende streekproducten ook op de productiewijze getoetst.

Culinaire voorhoede

Vormen de bedrijven met een Erkend Veluwse Streekproduct de culinaire voorhoede? ‘Dat is mooi gezegd’, antwoordt Dagmar Kroezen van het Veluws Bureau voor Toerisme. ‘Iedereen kan op zijn product een etiket plakken met de tekst Veluws streekproduct, maar hoe weet je of het echt is? Je merkt dat het publiek duidelijkheid wil. Binnen Veel Luwe zijn we niet zo streng, maar voor een selecte groep producenten kan het certificaat Erkend Veluwse Streekproduct meerwaarde hebben.’

Voor pluimveebedrijf De Lankerenhof ligt die meerwaarde in het ontwikkelen van een regionaal netwerk van bedrijven met eenzelfde manier van werken, vertelt Marjanne Borren. ‘Met onze Bleieren willen we ook eiproducten gaan produceren, zoals eiwit en eigeel voor de horeca of advocaat of eierkoeken voor de gewone consument. En wat zou er mooier zijn om die eierkoeken te laten maken door Bakker Piet uit Elspeet? We zoeken ook naar voer zonder soja, en daar hebben we biologische akkerbouwers voor nodig.’

De erkenning als streekproduct is dus voor veel producenten geen einddoel, maar eerder een stimulans om samen met andere bedrijven uit de regio verder te vernieuwen en te ontwikkelen. Misschien is het Erkend Veluws Streekproduct wel de beste methode om een regionale samenwerking van de grond te krijgen voor beter, ambachtelijker en duurzamer voedsel voor de Veluwenaren zelf. Want het is maar de vraag hoe het Veel Luwe vergaat, nu de financiering op zijn einde loopt.

De eerste elf Erkende Veluwse Streekproducten

Wat is een Erkend Veluws Streekproduct?

  • Het komt uit de Veluwe.
  • De Veluwe wordt vermeld op de verpakking.
  • Minimaal 51 procent van de grondstoffen komt van de Veluwe.
  • De productie en verwerking vinden in de Veluwe plaats.
  • De producent let extra op duurzaamheid, en grondstoffen worden grondgebonden geteeld.

Zie: www.erkendstreekproduct.nl

 

 

Eén worden met de natuur

Het klinkt aanlokkelijk. Je koopt een plekje op de hei, in het bos of langs de bosrand, en als je dood bent word je daar in de natuur begraven. Het enige wat zichtbaar is, is een houten schijf van een boom met je naam erin gegraveerd. Die vervalt en vergaat langzaam, net als jijzelf en de herinneringen die je geliefden aan je hebben, tot die opgaat in de natuur. Het klinkt zelfs poëtisch.

Nieuwe Veluwe, juni 2012

Begraven in de natuur. Het kan vanaf juni op Natuurbegraafplaats Heidepol aan de zuidelijke rand van de Hoge Veluwe. Daar werkt Rest in Nature op een voormalige paardenwei, een akker en wat door bosjes omgeven landbouwgrond aan 17 hectare nieuwe natuur, waarin plaats is voor zo’n zevenduizend graven. De graven liggen er voor eeuwig. Als de natuurbegraafplaats vol is, kan de natuur haar eigen weg gaan. Voor de rouwenden blijft er dan een betekenisvol stukje natuur over.

‘Zo poëtisch als het klinkt, zo praktisch is het om in de toekomst mensen te begraven in de natuur’, vertelt Eward Timmerman tijdens een wandeltocht over Heidepol. Hij werkt bij Landschapsbeheer Gelderland, maar besteedt veel van zijn vrije tijd samen met andere experts aan het schrijven van een boek over ‘het rituele landschap’. De kernvraag van dat boek is: hoe gedenken we onze doden over veertig jaar?’

Trend

‘In de natuur begraven is een trend’, vindt Timmerman. Er zijn nu een zevental natuurbegraafplaatsen in Nederland in ontwikkeling, waaronder Heidepol . Die plaatsen zijn nodig, want er is steeds minder ruimte voor gewone begraafplaatsen in Nederland, en er zullen in de toekomst meer mensen begraven of gecremeerd moeten worden met de ouder wordende babyboomers. Volgens René Poll, vanuit ontwikkelingsbedrijf Praedium betrokken bij Heidepol, is een natuurbegraafplaats voor mensen vooral een aantrekkelijk alternatief. ‘Cremeren of begraven: wat je ook kiest, je komt in een rij te liggen of te staan. Terwijl mensen juist behoefte hebben om een plekje te kiezen waar ze zich prettig voelen.’

‘Natuurbegraafplaatsen zijn ook goed voor de natuur en het landschap’, vult Timmerman aan. ‘Nabestaanden zullen de omgeving van het graf willen behouden en zelfs beschermen. Als mijn oma hier zou liggen, dan zou ik dit landschap ook wel willen onderhouden. Je betrekt mensen daardoor bij de natuur en het landschap.’ Dat gebeurt ook met de mensen die er begraven worden. ‘Mensen gaan proefliggen.’

Natuurontwikkeling

Toch bestaat er weerstand tegen begraven in de natuur. Bij Heidepol speelt dat niet zo, omdat het terrein ver van de bewoonde wereld ligt. Maar Timmerman kent voorbeelden waar omwonenden wel huiverig waren voor een begraafplaats in de natuur bij hun woonomgeving. Voor Heidepol speelde wat anders. Poll en zijn collega’s de afgelopen vier jaar vooral bezig geweest om de provincie en de gemeentes Ede en Arnhem ervan te overtuigen dat een natuurbegraafplaats een goede manier is om aan natuurontwikkeling te doen. Poll: ‘Ze zeiden eerst dat het in principe niet kon, zo’n natuurbegraafplaats in de Ecologische Hoofdstructuur en een Natura 2000-gebied. Door aan te tonen dat de natuurbegraafplaats meer natuur oplevert dan er nu is, hebben we het toch weten te realiseren.’

De grove dennen, de douglas sparren en de Amerikaanse eiken worden langzamerhand vervangen door inheemse boomsoorten. Het westelijk gebied wordt afgeplagd om een versnelde verschraling te krijgen, zodat er heide kan ontwikkelen. De rest van het gebied wordt ingezaaid met granen en kruiden, die ze aan het eind van het groeiseizoen afvoeren om de grond te verschralen. ‘Voor de instandhouding van de heide gaan we ook een schaapskudde inzetten.’ De natuurbeheerplaats krijgt een beheer dat sterk lijkt op het reguliere natuurbeheer om vooral de bedreigde en beschermde plant- en diersoorten terug te krijgen.

Ecologische check

De graven worden ondergeschikt aan de natuur. Voor elke begrafenis komt er een ecologische check. Want waar een das een burcht heeft gebouwd of waar beschermde planten groeien, mag geen graf komen. Om toch aan de wens van mensen te voldoen om op een speciale plek te worden begraven, is de grafdichtheid heel laag. Zo kan iedereen altijd een mooi plekje krijgen. Verder mogen de graven niet al te uitbundig versierd worden. Tierelantijnen als roze flamingo’s, glimmende beelden en zilveren fotolijstjes komen er volgens Poll niet in. Maar hoe vind je dan je geliefde terug als de boomschijf is vergaan? Nieuwe technieken, zegt Poll. De graven worden via gps vastgelegd.

Begraven in de natuur is verrassend goedkoop in vergelijking met een gewoon graf. Voor een eeuwige ligplaats op Heidepol betaal je een eenmalige aankoopsom van 2750 euro voor een graf in de heide of op het open veld tot 3750 euro in het bos. ‘Voor ons is dit rendabel’, zegt Poll. ‘De natuur doet haar werk.’ Met de aankoopsom is ook het toekomstig onderhoud geregeld. Een deel van het geld komt in een stichting die de verantwoordelijkheid neemt voor het terreinbeheer. Voor het uitvoerende werk gaat Rest in Nature samenwerken met de buurman, zorginstelling Siza die op ’s Koonings Jaght voor geestelijk gehandicapten een dagvoorziening heeft. Cliënten kunnen hier aan de slag voor een zinvolle dagbesteding.

Goede richting

Timmerman is enthousiast over Heidepol. Minpuntje is het geluid van de nabij gelegen snelweg A50/A12. ‘Maar het is een goede stap in de goede richting van mijn ideeën over rituele landschappen.’ Bij voorkeur gaat Timmerman nog verder: begraven in cultuurlandschappen, ook omdat er wellicht onvoldoende natuur is in Nederland om mensen te begraven. Als een natuurbegraafplaats als Heidepol vol is, blijft het voor eeuwig natuur. Er zijn bovendien ook maar zo’n vierhonderd graven per hectare. ‘Uit een studie van stedenbouwkundigen van Vollmer & Partners blijkt dat er in een essenlandschap, een terpenlandschap of een droogmakerij veel hogere dichtheden mogelijk zijn. Wel moeten daarvoor nog ontwerpen komen.’ De graven moeten naadloos passen in het landschap, zodat de mensen die er begraven worden en de mensen die na hen leven zich er thuis en op hun gemak voelen.

Zelf heeft Timmerman zijn eigen ideeën, waarvan hij weet dat veel mensen die extreem vinden. ‘Waarom zou je niet opnieuw mensen gaan begraven in de vele prehistorische graven, zoals grafheuvels? De Veluwe ligt er vol mee. Of waarom zou je niet een strooiplekje maken in Park Sonsbeek?’ Hij snapt dat dit soort ideeën gevoelig ligt. ‘Je krijgt al snel archeologen en cultuurhistorie tegen je, omdat je de geschiedenis verstoort. En in Nederland wordt de dood nu nog vooral ver weg gehouden van het leven.’ Zijn ideeën vloeien volgens hem voort uit zijn Afrikaanse ervaring, uit de periode dat hij er onderzoeker was. ‘Daar gaan ze heel anders om met de dood, net zoals dat hier vroeger ging. Vroeger was de dood onderdeel van het normale leven, nu drukken we hem weg.’ Voor het zover is dat natuurbegraven normaal wordt, is er nog een lange weg te gaan, denkt Timmerman. ‘Er is een omslag nodig in het denken over de dood.’ Poll denkt dat dit wel goed komt. We staan volgens hem nog maar aan het begin staan van natuurbegraven, zowel in regelgeving als in ontwerp. Hij is ervan overtuigd dat het een blijvertje wordt. Het lijkt een groeimarkt, hoe cru dat ook klinkt. Maar voor nieuwe grafheuvels, is het wachten op de cultuuromslag.

Natuurbeleid sterker afhankelijk van economie

‘Door de bomen het bos zien’ was de ondertitel van het symposium ‘Natuurbeleid anno 2012’ dat Hogeschool Van Hall Larenstein organiseerde op maandag 4 juni. Daar werd duidelijk dat het natuurbeleid onomkeerbaar veranderd, en dat de economie en sectoren als de landbouw belangrijker worden voor de organisatie en de financiering ervan. De grote vraag die bleef hangen, is of economie goed of slecht is voor de ecologie.

Landwerk, juni 2012

Niemand lijkt meer te weten wat natuurbeleid tegenwoordig nog is. Achter de aanleiding tot het symposium zat een tragikomisch verhaal dat tekenend was voor de verwarring die heerst. Lector John Janssen van het Lectoraat Geïntegreerd natuur- en landschapsbeheer vertelde hoe de lectoren van het lectoraat het verzoek van het college van bestuur om een collegereeks te maken over het natuurbeleid had moeten afwijzen. “We wisten niet meer hoe het zit.”

Dat is helemaal niet zo gek als het lijkt. Het economische, politieke en culturele klimaat is ingrijpend aan het veranderen, en daarmee het natuurbeleid ook. Dagvoorzitter Joop Schaminee somde op: het beleid decentraliseert, er wordt bezuinigd, voor geld wordt nu ook gekeken naar het bedrijfsleven, er komt een nieuwe natuurwet en een nieuwe omgevingswet, en er komt een nieuw Europees landbouwbeleid. Bij elkaar telt dit op tot volgens ecoloog Schaminee ‘onomkeerbare veranderingen’.

Nieuw beleid nodig

Schaminee was daarbij nog vergeten dat natuur in het huidige politieke klimaat niet direct in een positief daglicht staat. Daar had de eerste spreker op het symposium, Henk Groenewoud van de directie Natuur en biodiversiteit van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI), wel een verklaring voor. Dat er in de afgelopen tien jaar heftige discussies werden gevoerd over het natuurbeleid lag volgens hem in het feit dat er beleid werd uitgevoerd. “Daardoor bots je met andere belangen.”

“Het is nodig dat er nieuw beleid komt”, stelde Groenewoud. “Het bestaande beleid – het Natuurbeleidsplan, de nota ‘Natuur voor mensen, mensen voor natuur’, het beleidsprogramma Biodiversiteit werkt – is allemaal verouderd.” Aan de hand van de Europese biodiversiteitsstrategie liet hij zien hoe dat oude beleid waarschijnlijk zal veranderen. Die strategie bestaat uit zes doelen – het uitvoeren van de Vogel- en Habitatrichtlijn, het herstellen van ecosystemen en ecosysteemdiensten, het opvoeren van de bijdrage aan de biodiversiteit van de landbouw en de bosbouw, het verduurzamen van de visserij, en het verminderen van het mondiale biodiversiteitsverlies – en twintig daaraan gekoppelde acties.

Verbreding van het natuurbeleid

Volgens Groenewoud zal dit allemaal leiden tot een verbreding van het natuurbeleid. “Met alleen soortenbescherming redt je het niet, het probleem zit eerder in de manier waarop we produceren en consumeren en ons handelsysteem. Daarom zie je een verbreding van het beleid naar andere sectoren en andere doelstellingen.” Zo vormt de vergroening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie de kern onder de ambitie om de landbouw mee te laten helpen bij het verbeteren van de biodiversiteit. “Nederland is de grootste voorstander van de vergroening, en loopt daarmee voorop”, aldus Groenewoud.

Gedeputeerde Rein Munniksma van de provincie Drenthe sloot hierbij aan met een pleidooi om de Europese financiering van agrarisch natuurbeheer te verbreden. Munniksma vertelde over het Leekstermeer, waar de provincie Drenthe werkt aan natuurontwikkeling, recreatie en de verbetering van de landbouwstructuur. “Een paar jaar geleden behoorden deze koeien bijna allemaal bij boerenbedrijven. Vanuit Europa kregen deze boeren een aardige hectaretoeslag. Nu hangt dit er vanaf wie eigenaar van deze koeien is. Is dit een boer? Dan zit het met de subsidie na 2014 wel snor. Maar zijn de beesten van particulieren of natuurbeheerders? Dan ligt dat in ons land anders.”

Vervallen rijkstaken

Munniksma riep staatssecretaris Henk Bleker op zich in Brussel hard te maken voor agrarische activiteiten in natuurgebieden, ook in de ecologische hoofdstructuur. “Het lijkt me een uitdaging om in dit nieuwe landbouwbeleid de hectaretoeslag niet alleen uit te keren aan ‘traditionele’ boeren. Deze toeslag zou ook beschikbaar moeten komen voor ondernemers, kleine en grote natuurbeheerders wanneer ze ook actief boeren met koeien of schapen.”

“Ik kan nog steeds niet instemmen met het bestuursakkoord tussen de provincies en het rijk over de decentralisatie van het natuurbeleid”, stelde Munniksma. “Maar het bestuursakkoord is wel de democratische realiteit.” Maar met de decentralisatie is wel de financiering voor zaken als Nationale Parken, schaapskudden en de verbetering van de landbouwstructuur vervallen. “Dat zijn geen gedecentraliseerde maar vervallen rijkstaken”, aldus Munniksma. “Met deze bezuinigingen halen we de doelen niet.” Bovendien leidt het stopzetten van alle financiering voor de aankoop van natuur volgens Munniksma tot het stopzetten van projecten waar met geld uit diverse bronnen – Europa, waterschappen, gemeenten, provincies en rijk – wordt gewerkt aan natuurontwikkeling, recreatie en landbouw.

Meer voordelen dan nadelen

Ook vanuit juridische hoek valt er voor de natuur niet veel positiefs te halen, bleek uit het gloedvolle betoog van Peter van Wijmen, emeritus hoogleraar natuurbeschermingsrecht bij Universiteit Tilburg, “Er is een antinatuurstemming ontstaan”, stelde hij, “niet bij de mensen maar bij politici als Koopmans en Koppejan van het CDA, mijn partij.” De nieuwe Natuurwet, de beoogde opvolger van de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet, past volgens Van Wijmen in dit klimaat. Hij hield de zaal vol ecologen en studenten natuurbeheer gloedvol voor dat natuur erfgoed is dat je moet beschermen.

De nieuwe Natuurwet heeft meer nadelen dan voordelen, aldus Van Wijnen. Het wordt juridisch simpeler, omdat er maar één natuurwet is. Daarnaast is de Europese wetgeving is in de wet één op één overgenomen, waardoor er daar geen onduidelijkheid kan ontstaan. Daar staat tegenover dat Nederland geen extra bestemming regelt naast de Europese wetgeving Ook de strikte verboden om dieren te doden, te vangen en te verontrusten en planten te plukken en te vernielen zijn volgens Van Wijmen nu zo opgeschreven, dat die in de praktijk niet zijn te handhaven. Daarnaast stelde hij vraagtekens bij de rolverdeling, waar nu de provincie het bevoegd gezag wordt, terwijl het rijk de te beschermen gebieden en soorten aanwijst.

Ontwikkelruimte

Ook de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) past in de verbreding van het natuurbeleid die Groenewoud schetste. Het programma is opgezet om de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden met herstelmaatregelen te verlagen, met als belangrijkste reden dat er daardoor ‘ontwikkelruimte’ vrijkomt voor economische ontwikkelingen. Alterra heeft hiervoor in een rapport van wel 1600 pagina’s voor alle 166 Natura 2000-gebieden beschreven voor welke habitattypen en doelsoorten de stikstofdepositie een probleem is, en welke herstelstrategieën er mogelijk zijn. Doel van de PAS is om hiermee aan te geven welke economische ontwikkeling in en rondom zulke gebieden mogelijk zijn. “Maar het boekwerk geeft de ecologen in Nederland ook een compleet overzicht van het herstel van de ecologie in Nederland”, stelde projectleider Nina Smits van Alterra.

Uitgangspunt bij de PAS is dat een soort of leefgebied stikstofgevoelig is als die last heeft van een stikstofdepositie van 2400 mol per hectare per jaar. Smits kwam zo uit op 55 habitattypen en veertien soorten die stikstofgevoelig zijn. “Het rapport moet toepasbaar zijn en vormt een juridische basis”, aldus Smits. De Raad van Staten toetst vergunningen voor nieuwe activiteiten en uitbreidingen op basis van de ecologische kennis. “Dat wordt toegepast in alle Natura 2000-gebieden. Zo krijgt het een plek in het beheerplan voor Natura 2000, het moet leiden tot lokaal herstelbeheer en tot monitoring. Uiteindelijk moet het leiden tot nieuwe vergunningverlening.” Voor de PAS is voor de komende vier jaar honderdtwintig miljoen euro beschikbaar, waarvan zeventig miljoen voor het verminderen van de stikstofemissie door de landbouw.

Jammeren

Zo werd wel wat duidelijker wat de contouren van het nieuwe natuurbeleid kunnen worden, maar ook dat er nog heel veel onduidelijk blijft voorlopig. Groenewoud en Munniksma waren eensgezind in het verlangen naar een nieuw en verbreed natuurbeleid, waarin niet alleen ruimte is voor andere sectorale belangen, zoals landbouw en recreatie, maar ook nadrukkelijk wordt gekeken wat die sectoren kunnen betekenen voor de financiering en organisatie van het natuurbeleid. Van Wijmen en Smits lieten zien dat de wet- en regelgeving niet meer eenzijdig is gericht op het natuurbeheer, maar gekoppeld wordt aan economische ontwikkelingen.

Daarmee kwam wel de vraag naar boven wie nu eigenlijk verantwoordelijk is. “Als de overheid zich al niet inspant voor de natuur, wat moet de burger dan wel niet denken?”, vroeg Wim Lammers van Staatsbosbeheer zich af. “Het natuurbeleid is heel groot en complex geworden”, reageerde Groenewoud. “Het was tijd om daar wat aan te veranderen. Veel mensen hebben een aversie tegen natuur, daar moet je wat aan doen.” “Ik zou een positieve houding willen zien ten aanzien van natuur en landschap”, reageerde Egbert Jaap Mooiweer van de Vereniging Nederlandse Cultuurlandschap. “We hebben vaak de neiging om te jammeren.”

Inzichtelijk wat mogelijk is

Lector Janssen wilde toch wel wat tegengas geven tegen het al te makkelijk omarmen van de koppeling tussen ecologische en economische ontwikkeling. “Ik heb sterk het idee dat het nieuwe natuurbeleid vooral voortkomt vanuit economische belangen”, stelde hij. “Je kunt groen redeneren met dezelfde argumenten”, reageerde Groenewoud. “Je kunt je wel af blijven zetten tegen anderen sectoren… Wil je de natuur redden, dan moet je samenwerken met die sectoren.” Een programma als de PAS kan volgens Smits helpen om een verbinding te maken tussen ecologie en economie. “Het Havenbedrijf van Rotterdam is erg geïnteresseerd om te investeren in herstelmaatregelen, als ze mogen uitbreiden. De herstelstrategieën die we nu hebben beschreven maakt voor hen inzichtelijk wat er wel en niet mogelijk is.”

Toch werd door de bomen het bos nog niet heel helder zichtbaar, als was wel duidelijk dat de economie de ecologie overschaduwd. De vraag alleen is of dat erg is. Munniksma stelde dat we als rijk land de verantwoordelijkheid hebben om de natuur er niet op achteruit te laten gaan. “Maar daar heb je wel economische ontwikkeling voor nodig.” Adviseur Henk ten Holt van Bureau Zet zag juist een compleet omgekeerde rol voor het natuurbeleid: “We gaan nu in Natura 2000-gebieden op detail zitten kijken hoe je economische ontwikkeling mogelijk maakt.”

Heerde eerste Cittaslow op de Veluwe

Gemeente Heerde is de eerste gemeente op de Veluwe die het keurmerk Cittaslow mag dragen. Volgens wethouder Herman van der Stege past dit bij de manier waarop de gemeente aanstuurt op een door bewoners gedragen ontwikkeling van stad en land. Cittaslow is nu een waarborg dat dit zorgvuldig gebeurt. Maar de mensen moeten het zelf willen en doen, want de gemeente faciliteert slechts.

Nieuwe Veluwe, februari 2012

Vraag wethouder Herman van der Stege waarom gemeente Heerde Cittaslow is geworden, en hij begint een uitgebreid verhaal over het landschap en de mensen. Gedreven vertelt hij hoe gemeente Heerde eigenlijk al heel lang samen met burgers en bedrijven werkt aan een zo prettig mogelijke leefomgeving. Want het ideaal van Cittaslow (zie kader hieronder of Cittaslow Nederland) sluit goed aan bij waar iedereen al mee bezig was.

Negatieve spiraal

“We hadden al heel lang het gevoel dat we iets bijzonders hadden. Ik kom zelf uit Wapenveld, en daar zijn de afgelopen decennia flink wat klappen gevallen: de MKZ sloeg toe, de vogelpest, de papierfabriek werd gesloten. We zaten in een negatieve spiraal. Maar nu gebeuren er allemaal dingen waardoor we beseffen op welke unieke locatie we zitten, maar ook welke mogelijkheden er zijn om Heerde nog mooier en prettiger te maken.

“Er spelen een aantal grote projecten in onze gemeente, die belangrijk zijn voor de leefbaarheid en voor het landschap. Ons grondgebied beslaat grofweg de driehoek Hattem-Veessen-Wezep op de Noordoost-Veluwe, en loopt van de oevers van de IJssel tot in de bossen van de Veluwe. Dwars daar doorheen loopt het Apeldoorns Kanaal. Dat gaan we schoonmaken en saneren. Er staan nu nog bordjes in die waarschuwen voor vervuiling, maar het giftige slib wordt opgeruimd en het kanaal wordt opnieuw bevaarbaar gemaakt. De Kloosterbrug wordt in 2013 opnieuw een beweegbare brug, zodat je het centrum van Wapenveld met de boot kan bereiken.

Unieke plekken met historie

“Langs het Apeldoorns kanaal en de nieuwe hoogwatergeul liggen allemaal unieke plekken met gebouwen die een bijzondere historie hebben. In Wapenveld heb je Erve IJzerman, een oude IJsselboerderij waar we het Nederlandse Zuivelmuseum willen vestigen. Het materiaal is er al, dat ligt in Rotterdam in een loods. Er zijn ook mogelijkheden voor een bed & breakfast; de bedsteden zitten er nog in. Langs het kanaal ligt ook een oud café dat heel goed als startpunt voor kanoroutes gebruikt kan worden of als bed & breakfast. Bij Heerde staat nog een oude stoomzagerij die nog werkt, maar toch van de eigenaar een facelift krijgt om als toeristisch trekpunt te functioneren.

“Het kanaal wordt zo leefbaarder, maar ook de natuur profiteert. Het kanaal loopt dwars door de Hattemer Poort, een belangrijke ecologische verbinding tussen Veluwemassief en IJsseldelta. Ten zuiden daarvan ligt aan de rand van het kanaal het natte Monnikenbos; daar zijn vroeger monniken begonnen met het waterbeheer, nu leven er 64 vogelsoorten en barst het van het wild. In het zuiden, bij Kasteel Vosbergen in Heerde, wordt het kanaal gevoed door de Grift, met zeer hoogwaardig ecologisch water.

Mensen willen meedoen

“Een andere belangrijke ingreep in onze gemeente is de aanleg van de hoogwatergeul tussen Veessen en Wapenveld, die gepaard gaat met een complete gebiedsontwikkeling. Hierbij is voorzien in een verbinding met fietsroutes tussen de Veluwe en het Kozakkenveer naar Wijhe. Langs die geul worden hoogstamboomgaarden aangelegd, die bewoners zelf in hoogstambrigades gaan beheren, maar er is ook plek voor recreatie. In Veessen komt bijvoorbeeld een galerieroute en bij het pontje een theehuis. Ook in Heerde zelf gaan we aan de slag. De voortuin van het gemeentehuis is ooit volledig weg gehaald, waardoor je nu bij het uitlopen van het centrum van Heerde ineens het idee hebt alsof het stadscentrum ophoudt. Dat willen we graag samen met de bewoners opnieuw vormgeven.

“Je ziet dat mensen willen meedoen. In Wapenveld heeft men op eigen initiatief een dorpsplan gemaakt. Er is intussen een dorpshuis en een dorpsraad. Wij faciliteren. We zeggen: het is jullie proces. We hebben vijftigduizend euro ter beschikking gesteld en vragen pas achteraf om verantwoording. Je moet een beetje lef hebben, niet beginnen bij de regelgeving, maar bij iemand die een idee heeft. Pas aan het eind kun je dan gaan kijken naar de regelgeving.

Revitaliseringsproces voor gemeente

“Zo waren we eigenlijk al bezig toen we in aanraking kwamen met Cittaslow. Onze burgemeester kwam op een gegeven moment haar collega Arnoud Rodenburg tegen, burgemeester van de eerste Cittaslow-gemeente in Nederland, Midden-Delfland. Wij hebben toen niet bedacht wat Cittaslow voor ons kon betekenen, maar de vraag omgedraaid: wat kan Heerde betekenen voor Cittaslow? Kunnen anderen via het netwerk van Cittaslow leren van onze ervaringen? Want we waren al bezig met de vraag hoe je duurzaam met de streek om kan gaan, maar ook met de vraag hoe je dat vertaalt in het beleid. We hebben onze aarde niet gekregen om op te maken maar om door te geven.

“Cittaslow betekende wel een revitaliseringsproces voor de gemeente. Zo hebben we alle ambtenaren mee genomen langs drie fietsroutes Op deze manier hebben we ons ambtenarenkorps kennis laten maken met de streek. Dat klinkt raar, maar binnen de gemeente werken veel mensen van buiten. Ik leidde hen dan rond in Wapenveld, bij Erve IJzerman bijvoorbeeld. Maar we gingen ook langs bij de biologisch-dynamische veehouder Bertus Doppenberg in de uiterwaarden. Zulke mensen kunnen prachtig vertellen over hun bedrijf. Zo leerden de ambtenaren ook dingen te plaatsen, dat er bijvoorbeeld veel kunstenaars wonen en werken in Veessen. Sommigen waren jaren bezig met het zwembad, maar hadden geen idee waar het lag. Dat was soms wel pijnlijk. Maar op het moment dat je ze met de streek laat kennis maken, gaat het ook echt voor hen leven. Men steekt elkaar ook aan.

Streekproducten op de kaart

“De drie routes hebben we uitgewerkt tot toeristische fietsroutes. een streekproductenroute, een culturele route en eentje langs natuur en cultuurhistorie. Daarvan hebben we kaarten laten maken, en die hebben we nu eenmalig laten drukken. Want het moet wel uit de mensen zelf komen. Men moet niet het idee krijgen dat de gemeente het allemaal doet. Als de fietskaartjes op zijn, dan zal iemand anders ze opnieuw moeten laten drukken. En ook het onderhoud van de fietsroutes wordt gedaan door de bewoners en de bedrijven in de buurt.

“Hiermee hebben we ook de streekproducten op de kaart gezet. Het Veluws Stoofpotje, een bedrijf dat stoof van Veluws wild maakt, zit in Heerde. Er zijn diverse kleine brouwerijtjes die heerlijk bier brouwen. Op het Vrieze’s Erfgoed in Wapenveld malen ze oude granen, maar ze verkopen ook het Veluws graan-ei en de tomaten van Tuinderij Doorn uit Heerde. Ook in de supermarkten staan stellingen met streekproducten. En zelf zou ik graag de kruudmoes weer terug willen, echt Veluws. Via Cittaslow hebben we nu ook contacten met Slow Food Zwolle.

Ondernemersdagen

“We zoeken via Cittaslow uitwisseling, bijvoorbeeld via ondernemersdagen. Zo kwamen we in gemeente Borger-Odoorn bij een bijzondere ondernemer. Die had een camping, maar hij richtte zich vooral op de spiegeltent waarin hij regelmatig een band of een pianist organiseerde. Dan zei hij: u kunt ook bij me overnachten. Die camping zat continu vol. We hadden ondernemers uit Heerde mee, en die waren dol enthousiast. Wat we ook gaan doen is een voetbaltoernooi organiseren voor alle D-tjes uit de streek. Daarbij stellen we een team samen uit alle voetbalteams uit de gemeente, en voetballen we tegen een team uit een andere Nederlandse Cittaslow-gemeente.

“Na de negatieve spiraal kunnen we nu dus weer positieve beelden laten zien. Cittaslow is daarbij een extra waarborg dat het ook allemaal zorgvuldig gebeurt. De mensen moeten het zelf doen, en wij als gemeente zullen hen daarbij begeleiden. Je merkt ook dat er een revitalisering plaatsvindt. In het centrum van Wapenveld komen nu vijf nieuwe winkels. Je merkt dat gemeente Heerde leeft.”

Cittaslow

In Nederland zijn er vijf Cittaslow-gemeenten: Midden-Delfland, Borger-Odoorn, Alphen-Chaam, Vaals en Heerde. Wereldwijd zijn er 150 Cittaslow-gemeenten. Een Cittaslow-gemeente staat voor tien uitdagingen, volgens het manifest van Cittaslow.

  1. Een Cittaslow staat voor kwaliteit van leven
  2. Een Cittaslow stelt kwaliteit op prijs
  3. Een Cittaslow staat voor vooruitgang en maakt dit meetbaar
  4. Een Cittaslow geeft door middel van haar kwaliteiten betekenis aan de verhouding tussen stad en land
  5. Een Cittaslow handhaaft en ontwikkelt waardevolle landschappen en biodiversiteit
  6. Een Cittaslow handhaaft tradities en staat voor innovatie
  7. Een Cittaslow stimuleert regionale producten en korte voedselketens
  8. Een Cittaslow is een gemeenschap en biedt sociale cohesie
  9. Een Cittaslow is duurzaam voor de toekomstige Europese generaties
  10. Een Cittaslow is een middel bij bestrijding van oude en nieuwe armoede