Hello world!

Welcome to WordPress. This is your first post. Edit or delete it, then start writing!

Bestemmingsplan wordt omgevingsplan

Het is een van de meest ingrijpende wettelijke hervormingen na de Tweede Wereldoorlog, maar aan de meeste mensen gaat de bundeling van tientallen wetten met ruimtelijke impact in de nieuwe Omgevingswet geruisloos en ongemerkt voorbij. De Wet ruimtelijke ordening, de Waterwet, de Natuurbeschermingswet 1998, de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming en de Wet geluidhinder worden allemaal gebundeld in de nieuwe wet. Hoewel de Omgevingswet naar verwachting pas in 2016 of 2017 in werking treedt, heeft jurist Jan van den Broek nu al een voorpublicatie gemaakt, inclusief de geschiedenis van het ontstaan van de wet.

Landwerk 5 2013

Omgevingswet

De aanleiding voor de Omgevingswet is de complexiteit van het huidige omgevingsrecht. ‘Een belangrijke oorzaak is de sectorale opbouw, waardoor initiatiefnemers in veel gevallen met verschillende wetten en procedures te maken hebben’, schrijft Van den Broek in zijn inleiding. In de nieuwe wet staan minder ‘rechtsfiguren’ en die zijn ook beter op elkaar afgestemd. Procedures worden gestroomlijnd. De wet bestaat uit zes delen: de fysieke leefomgeving, overheidszorg, activiteiten en projecten, zorgvuldige en transparante besluitvorming, aanvullend instrumentarium en algemene onderwerpen.

Van den Broek beschrijft in zijn inleiding waarom de Omgevingswet nodig is, en geeft daarna in het kort de hoofdlijnen van het voorstel dat op 1 maart als toetsversie is gepubliceerd. Daarna heeft hij maar liefst negentien hoofdstukken nodig om de zes delen van de Omgevingswet uitvoerig uit te leggen. Wellicht de belangrijkste verandering is het verdwijnen van het gemeentelijk bestemmingsplan. Nu komt er per bestuursorgaan één regeling: de gemeente maakt een omgevingsplan, de provincie de omgevingsverordening en het waterschap de waterschapsverordening. Met dit boek kan iedereen zich daar alvast op voorbereiden.

Jan van den Broek, Omgevingswet, Tekst & Toelichting, Berghauser Pont, ISBN 9789491073793, 75,- euro

‘GLB is budgetstrijd’

In Brussel wordt vooral gepraat over hoe het geld wordt verdeeld over Europa en over de sectoren van natuur, landbouw en stad. Er moeten structurele aanpassingen komen om te komen tot meer overkoepelend beleid, zoals de structuurfondsen en de tweede pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Maar dat beleid lijkt juist een belangrijke motor achter de burgerparticipatie in het natuur- en landschapsbeheer, en de burger kan niet wachten op zeven jaar durende structurele hervormingen.

Blog voor Netwerk Platteland, 11 oktober 2013 (Reageer op Netwerk Platteland)

NP geldboom ID-100168302

De invoering van het nieuwe hervormde GLB is verzand in een ‘budgetstrijd’ tussen Oost-, Zuid en Noordwest-Europa. Dat stelde Europarlementariër Bas Eickhout van GroenLinks in zijn presentatie op het symposium ‘Het landschap ben je zelf’ dat Landschapsbeheer Nederland vrijdag 3 oktober organiseerde op landgoed De Vanenburg in Putten. Ministers van financiën kijken in de onderhandelingen vooral hoe de door hun land ingelegde euro’s het beste renderen voor de natuur of de landbouw in hun land.

Bommetje onder de tweede pijler

Bij de discussie over het GLB gaat het dan ook vooral over het geld uit de eerste pijler, het echte ‘boeren’-geld. Dat is een probleem, vond Eickhout, want het Europese beleid wordt zo ‘gecompartimenteerd’ in strikt gescheiden sectoren voor landbouw, natuur en stad. “De grote uitdaging zit in de doelen van de structuurfondsen en de tweede pijler van het GLB, landschappelijke doelen.” Daarvoor is nu weinig aandacht, blijkt uit het op de lange baan schuiven van overkoepelend beleid als de Europese Kaderrichtlijn Bodem.

Eickhout legde in zijn presentatie een bommetje onder de tweede pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. “Waarom is het GLB meer dan de eerste pijler? De structuurfondsen zitten dichtbij wat de tweede pijler doet.” Beide steunen het integrale Europese beleid voor de plattelandsontwikkeling, en waarom zou je niet de structuurfondsen versterken in plaats van het GLB vergroenen?”

Burgerparticipatie

“De tweede pijler is juist een grote kans om de verhouding met de burger te verbeteren”, reageerde adviseur Henk Kieft van het ETC. De vergroening van het GLB via de tweede pijler is gericht op het organiseren van agrarische streekcollectieven rond agrarisch natuurbeheer, en daarbij zouden burgers een belangrijke rol als vrijwilliger kunnen spelen. Veel natuurorganisaties hopen ook via burgerparticipatie mensen bij hun werk te betrekken. Het verdwijnen van de tweede pijler kan dus ook een bommetje onder die burgerparticipatie betekenen.

Toch lijkt Eickhout een punt te hebben. Als het Europese beleid verhardt in een sectorale en geografische strijd om geld, is het dan niet handiger om energie te steken in het versterken van de structuurfondsen om te zorgen dat er overkoepelend en integraal beleid voor natuur en platteland ontstaat? Probleempje was echter dat Eickhout voorstelde om het GLB van 2014-2020 maar te laten zitten, en de energie vooral te richten op structurele aanpassingen van het GLB dat in 2021 ingaat. “De beginkracht van innovatie zit bij georganiseerde burgers”, reageerde Kieft. Die kunnen volgens hem geen zeven jaar wachten. “De komende maanden worden besluiten genomen over de komende zeven jaar.”

Meer dan de som der delen

Tijdens het symposium bleek ook dat boeren en natuurorganisaties de burger wel kunnen gebruiken om te leren samenwerken, want er waren wederzijds nog veel irritatiepunten. De vraag is ook of het de provincie als regisseur van het plattelandsbeleid lukt om met sectoraal Europees geld die samenwerking los te trekken. “De opgave is te komen tot een pakket dat meer is dan de som der delen”, stelde Franck Kuiper, adviseur bij het Interprovinciaal Overleg, daarover. Dat zegt weinig over wat Nederlanders in het landschap zullen aantreffen, maar wel veel over de moeite die het kost om samenwerking los te maken.

Op grootschalige manier kleinschalig beheren

Opvallend, de volgorde die Jap Smits en Jinze Noordijk in hun boek Heidebeheer aanhouden voor de aanpak van een heidegebied. Allereerst moet een heidebeheerder kennis opbouwen over dat gebied – dat is logisch. Daarna richten de Staatsbosbeheer-boswachter van de Strabrechtse Heide en de bioloog van EIS-Nederland zich echter niet op beheermaatregelen voor het in stand houden van de aanwezige planten en dieren. In plaats daarvan kiezen ze er voor om eerst rekenschap te geven van het ‘volledig heidelandschap’, en richten ze zich op het belang van de inrichting daarvan.

Landwerk, augustus 2013

Heidebeheer

“Een goed heidebeheer speelt zich vaak af op kleine schaal”, schrijven Smits en Noordijk als verantwoording voor hun nadrukkelijke keuze voor een integrale en samenhangende aanpak van heidebeheer. Ze praten dan ook niet zozeer over planten of dieren, maar over beheertypen. Daarbij gaat het natte, droge, heuvelachtige, drassige, gesloten of open plekken in de heide met specifieke omstandigheden en microklimaat waar droge en natte heide, zandverstuivingen, bossen, vennen en andere vegetatietypen zich op een bepaalde manier ontwikkelen. Heidebeheer draait om het inrichten van het heidelandschap met veel variatie in beheertypen en veel overgangen tussen beheertypen.

De heide is een complex en dynamisch systeem dat je met kleine ingrepen moet sturen, zeggen Smits en Noordijk in andere bewoordingen, en de inrichting van dat systeem is bepalend voor de uitkomst van die ingrepen. Dat is het altijd geweest. Het heidelandschap is ontstaan door boeren die schrale gronden gingen gebruiken als begrazingsgrond. Mest gebruikten ze voor hun akkers en daarnaast haalden ze hun inkomen uit de verkoop van wol en vlees. De internationale markt voor die producten bepaalde de intensiteit waarmee de boeren de heide begraasden. Soms leidde dat tot overbegrazing en het compleet verzanden van heidevelden, vaker werden de meestal wat vruchtbaardere heidevelden ontgonnen voor meer productieve landbouwmethoden. Daarom zijn in Nederland alleen op de allerarmste gronden heidevelden over gebleven.

Vanaf de jaren tachtig is de heide het terrein van de natuurbeheerder. In de jaren tachtig begon men met grootschalige herstelwerkzaamheden. Enorme arealen heide werden geplagd om de vergrassing en verzuring van de heide te verminderen, met als gevolg dat veel heidevelden nu monomane vlaktes vol heidestruiken zijn, zonder veel leven. Dat plaggen was als restauratiemaatregel wel succesvol, schrijven Smits en Noordijk, maar had wel vergaande gevolgen voor het bodemleven. Nu is duidelijk dat met plaggen niet alleen de stikstof maar ook de fosfor uit de bodem verdwijnt, en die is essentieel als voeding voor dat bodemleven die weer als basis dient voor het insecten- en vogelleven bovengronds.

Het plaggen is wel een mooi voorbeeld van hoe Smits en Noordijk de beheermaatregelen in Heidebeheer beschrijven en aanpakken. In het moderne heidebeheer worden heidegebieden niet meer helemaal maar deels geplagd, volgens het ‘visgraatmodel’ waarvan een mooie foto op de kaft staat. Passend in de kleinschalige aanpak van het heidebeheer die Smits en Noordijk voorstaan, want “op deze wijze kan er op een grootschalige manier kleinschalig geplagd worden”. Op een vergelijkbare manier beschrijven de auteurs de begrazing, het verwijderen van bomen en bossen, het branden, het maaien en de aanleg van permanente en tijdelijke akkers.

Zo komt uit Heidebeheer een beeld naar voren van een natuurbeheer dat sterk is geënt op de eeuwenoude agrarische historie van de heidegebieden, maar ook lessen trekt uit de jonge geschiedenis van het natuurbeheer. Telkens opnieuw kiezen Smits en Noordijk er daarbij voor om oude, veelal grootschalige beheermaatregelen als het ware uiteen te rijten in kleinschaligere ingrepen die goed op elkaar aansluiten en passen bij de inrichting van het heidelandschap. En duidelijk is ook de boodschap dat dat heidelandschap groot genoeg moet zijn om in al zijn complexiteit te kunnen overleven. Op grootschalige manier kleinschalig beheren, dat lijkt de kernboodschap van Heidebeheer.

Jap Smits en Jinze Noordijk, Heidebeheer – Moderne methoden in een eeuwenoud landschap, KNNV Uitgeverij, ISBN 9789050114622, 19,95 euro

Divers pluimage

Ruimtevolk is sinds 2007 het publicatieplatform voor tientallen auteurs van wel heel divers pluimage: adviseurs, studenten, projectmanagers, landschapsarchitecten, ondernemers, onderzoekers, geografen, journalisten, historici, stedenbouwkundigen, lobbyisten, sociologen, planologen, ingenieurs, vastgoedspecialisten en marketeers. Dat resulteert in een lekker allerhandje aan artikelen op de website. Zo verwondert publicist Pieter Hoexum zich erover dat het ‘wilde wonen’ van Carel Weeber via het particulier opdrachtgeverschap veelal uitloopt op droomhuizen die eigenlijk luchtkastelen blijken te zijn, zoekt woningbouwontwikkelaar Irene van Kaam innovatieve opdrachtgevers, is er een interview met Henk Ovink van het ministerie van Infrastructuur en Milieu over een Amerikaans deltaplan, tempert planoloog Sander van Lent de hoge verwachtingen van de overheid over de zelforganiserende burger, en schrijft directeur van de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit Flip ten Cate een kritisch stuk over de nieuwe Omgevingswet.

Blauwe Kamer 4 2013

ruimtevolk

Ondertussen is Ruimtevolk meer dan een leeswaardig webblog. Blogs worden jaarlijks gepubliceerd in het papieren Ruimtevolk Jaarboek, elk jaar wordt er een expeditie georganiseerd over ruimtelijke vraagstukken – in 2103 gaat dit ‘cocreatiefestival’ op 21 november in Arnhem over het Rijnbooggebied. Daarnaast doet Ruimtevolk aan ruimtelijk onderzoek in ‘labs’, op dit moment naar ‘bottom-up transformatie in krimpgebieden’ en ‘toekomstverkenning binnensteden’. Ook is het collectief bezig om via de Ruimtevolk Academie lezingen, workshops en trainingen te organiseren. Zo ontwikkelt zich een interessante netwerkorganisatie van specialisten van divers pluimage rond allerlei actuele ruimtelijke vraagstukken.

Het mooie van Ruimtevolk is dat iedereen mee kan doen, een beetje jammer is dat niet erg duidelijk is wat het bereik van de blog en de aanverwante activiteiten is. Toch blijft Ruimtevolk naast een leuke site met zeer leesbare artikelen ook een mooie manier voor landschapsarchitecten en stedenbouwkundigen – of hoe je jezelf ook noemt – om deel te nemen aan het debat over ruimtelijke ontwikkelingen.

Ruimtevolk

Houten groen omarmen

Stedenbouwkundige Robert Derks is meer dan veertig jaar betrokken geweest bij de ruimtelijke ontwikkeling van Houten. In Het groen omarmd beschrijft hij minutieus de manier waarop dit kleine stadje groeikern werd, en daarna werd omkranst door talloze uitbreidingswijken. Daarmee ligt er prachtig studiemateriaal voor studenten stedenbouwkunde, want Derks beschrijft stapje voor stapje hoe bijvoorbeeld de historische kern met 34 wijkjes en projectjes werd uitgebreid en hoe de Vinex-wijk Houten-Zuid in achttien verkavelingen werd opgedeeld.

Blauwe Kamer 4 2013

Het groen omarmd

De titel van het boek refereert aan de ontwerpfilosofie van Derks. Jelte Boeijenga positioneert in zijn nawoord dit omarmen van groen als een tussenweg tussen de in Vinex-wijken gangbare praktijken om groen te ‘verzamelen’ in ver van de huizen gelegen parken of groen te ‘versnipperen’ in weinig bruikbare stukjes dicht bij de huizen. Volgens hem werkt dit, vooral in de Vijfwal. ‘Door deze wal in de wijk te leggen in plaats van eromheen, wordt hij een onderdeel van de wijk en buurten zelf en krijgt zo dagelijkse betekenis voor ongelofelijk veel gezinnen.’ De uitgever heeft Het groen omarmd ook gebundeld met de in 2007 gepubliceerde stedenbouwkundige geschiedenis van Houten, Modelstad Houten.

Modelstad Houten / Het groen omarmd, Blauwdruk, ISBN 9789075271416, 44,50 euro

‘Sustainism’

We leven in een tijd dat ontwerpers continu moeten nadenken over de vraag wat ontwerpen nu eigenlijk inhoudt. De werkelijkheid is meestal zo complex dat zij steeds meer oog moeten krijgen voor de sociale omgeving van datgene waaraan ze ontwerpen. Ontwerpen aan een fysieke situatie wordt zo vooral een sociaal en menselijk proces. Daarbij gaat het tegenwoordig niet eens meer om het verkrijgen van draagvlak – zo twintigste-eeuws – maar over cocreatie, waarbij de klant en consument ineens ‘prosument’ of ‘coproducent’ is. En dan is er nog dat vermaledijde woord ‘duurzaamheid’, waar iedereen de mond van vol heeft zonder het te willen uitspreken. Want wat stelt ontwerpen tenslotte voor als het ontwerp niet duurzaam is?

Blauwe Kamer 4 2013

Sustainist Design Guide

Zo wordt het leven wel erg ingewikkeld. Toch zou ik iedere ontwerper, ook die met weerzin tegen duurzaamheid, willen oproepen om de Sustainist Design Guide te lezen. Dat is namelijk een overzichtelijk boekje dat helder laat zien dat ontwerpers eigenlijk sociale innovatoren zijn, als ze maar willen inzien dat ontwerpen betekent dat je ideeën deelt, kwaliteiten creëert, sociale relaties ontwikkelt en iedereen laat meegenieten. Want dat zijn de vier slogans die de auteurs hanteren om aan te duiden dat duurzame innovatie en sociaal ontwerp leiden tot ‘sustainist-ontwerp’: ‘We zijn wat we delen. Lokaal is een kwaliteit, geen geografische aanduiding. Het draait allemaal om verwantschap. Evenredigheid liever dan schaal.’

‘Sustainism’ wordt zo als een cyclische, contextuele, open, cradle to cradle, plaatsgebonden, genetwerkte en cocreatieve ontwerpmethode tegenover het modernisme met zijn lineaire, universele, gesloten, afvalproducerende, geglobaliseerde, gecentraliseerde en planmatige aanpak. Nou ben ik geen liefhebber van nieuwe ‘-ismen’, maar het maakt wel duidelijk waar het om draait. De twaalf voorbeelden laten tezamen zien dat ontwerpen wel erg breed wordt opgevat en dat de projecten nogal kleinschalig zijn. Neem de open source gereedschapskist voor het bouwen van landbouwvoertuigen, de nog in de wieg liggende FairPhone, een alternatief voor de smartphone, de bij Blauwe Kamer-lezers welbekende Luchtsingel in Rotterdam, en een stadslandbouwproject in de buurt van Parijs. Als het goed is volgen er meer van zulke ontwerpvoorbeelden op www.opensustainistdesign.net.

 

Spelen met de grens

Mooi om te zien, de weifeling van de auteurs in Grensland. Aan de ene kant willen ze als ontwerpers het liefst niets anders dan plannen maken en dus ingrijpen in de meestal nogal tweeslachtig en weinig samenhangend ingerichte grensgebieden, aan de andere kant zie je de schroom om afbreuk te doen aan die specifieke dubbelslachtige cultuur die juist zo mooi in het landschap van de grensgebieden is af te lezen.

grensland

 

Blauwe kamer 4 2013

Want wat is er nou mooier dan het contrast tussen de ecologie van het Verdronken Land van Saeftinge en de economie van de oprukkende Antwerpse haven, het kleinschalige Zuid-Limburgse landbouwlandschap bij Reuven en het Brachter Wald als inleiding op de onbegrensde Duitse ruimte, de maakbare waternatuur bij Millingen aan de Rijn en de traditionele landbouwpercelen richting Kleve, of de enorme verschillen tussen de strakke en rechte Nederlandse Veenkoloniën en de veel onregelmatiger akkers op de Duitse Moor? Ook dat laat Grensland mooi zien, in woord en beeld.

Grensland is een boek dat je als lezer laat nadenken over het ‘veelkoppig monster’ dat de grens is, zoals curator Martine van Kampen het mooi omschrijft. Cultureel en landschappelijk zijn de grensgebieden letterlijk begrensd, waardoor er tegelijkertijd een soort niemandsland kon ontwikkelen dat juist weer onbegrensde mogelijkheden in zich heeft. Het is niet voor niets dat Saeftinge naast de kerncentrale van Doel ligt, of dat er langs de grens overal windmolens staan. Tegelijkertijd is er met het opheffen van de grenscontroles en de open Europese Unie een idee ontstaan dat er eigenlijk geen grens meer is, terwijl die in de hoofden van veel mensen – ook  ontwerpers – wel degelijk blijft bestaan.

In Grensland worden drie scenario’s geschetst voor de grensgebieden: niets doen, verlangend inspelen op de geschiedenis, en daadkrachtig vooruitkijken naar nieuw leven. Maar wat vooral uit het boek naar voren komt, is de wens tot een ‘zachte planning’, zoals Gijs Wallis de Vries het noemt, een voorzichtige integrale aanpak. Daarvoor hebben de auteurs ongewild een nieuw woord voor gevonden: ‘Het was opvallend hoe alle ontwerpers die betrokken zijn bij ons boek last hadden van twee sterke reflexen: schroom bij het denkbeeldig betreden van de ruimte van de ander, erin durven tekenen, erover durven denken (wat moet ik daar?); en als er getekend werd ging het vaak om een top-down “grand design”, zonder grenzen en grensspelerij.’ Grensspelerij, dat is de toekomst van het grensland.

Grensland – Geschiedenis en toekomst van het grenslandschap, Blauwdruk, ISBN 9789075271546, 34,90 euro

Heidebeheer zoekt aansluiting bij regionale economie

Van Noorwegen tot Portugal worden heidegebieden als beschermd natuurgebied beheerd. Maar bescherming van habitattypes in omheinde parken is niet voldoende, bleek tijdens de European Heathland Workshop. In het natuurbeheer moet een verbinding gezocht worden met de regionale economie. Dat blijkt echter niet in alle heidegebieden mogelijk, want soms kunnen beheerders alleen het veld in met behulp van een tank.

Landwerk 3 2013

Onder de indruk zijn ze, de Nederlandse en Engelse heidespecialisten die eind juni in Denemarken de European Heathland Workshop bezoeken, want in de Deense heidegebieden zien ze dingen die al decennia uit de heide van Nederland en Engeland zijn verdwenen. Elk heidegebied dat de beheerders en wetenschappers bezoeken, zit vol met veldleeuweriken, makkelijk herkenbaar door hun gekwetter de typische op en neer gaande manier van vliegen. Die zijn er in Nederland en Engeland nauwelijks meer, volgens de Nederlanders omdat er in Denemarken nog wel voldoende insecten zijn. De Deense heide lijkt ook veel minder verzuurd en vermest, want overal zijn veel korstmossen te vinden. Op sommige plekken is het voor de korstmosspecialisten een ware wedstrijd om zoveel mogelijk soorten te vinden, en dat leverde soms wel tien verschillende soorten korstmossen op op één plek.

Heidespecialisten

De European Heathland Workshop is een informele organisatie van Europese wetenschappers en beheerders die tweejaarlijks een workshop organiseert over heidebeheer. Dit jaar verzamelden zich bijna honderd heidespecialisten uit Denemarken, Zweden, Noorwegen, Polen, Tsjechië, Nederland, België, Engeland en Duitsland zich voor een week in Denemarken voor workshops, lezingen en excursies over het heidebeheer. Daar bezochten ze bijna alle heidegebieden van Noord-Jutland. Dat zijn over het algemeen relatief grote gebieden, die opvallend onaangetast leken te zijn door de overal overheersende grootschalige akkerbouw en veeteelt. Jutland was vroeger overwegend heidegebied, want de grond is er nogal schraal, maar dankzij de kunstmest is het de landbouw toch gelukt om het te ontginnen. De heide is veelal bewaard gebleven in afzonderlijke gebieden, die nu zijn omgevormd tot nationale parken.

De heidespecialisten kwamen bijzondere natuur tegen in Denemarken. Zo waren ze erg te spreken over de vochtige blauwgraslanden en de andere kolonisatievegetatie bij de enorme migrerende duin Råbjerg Mile, vlakbij Skagen, die zich jaarlijks bijna twintig meter in noordoostelijke richting verplaatst. De duin is de laatste overgebleven stuifduin, een overblijfsel van een verschijnsel dat Jutland eeuwenlang teisterde maar in de negentiende en twintigste eeuw werd beteugeld door de aanplant van bomenplantages.

Cultuurverschillen

Opvallend was dat er weliswaar grote cultuurverschillen waren tussen de heidespecialisten uit de negen landen, maar dat de grote verschillen in heidebeheer niet zozeer zaten in die nationale cultuurverschillen maar eerder in de verschillen in ligging en vegetatie van de diverse heidegebieden. Dat bleek zelfs op het geografisch beperkte oppervlak van Jutland. In het rollende heuvellandschap van Mols Bjerge met zijn heidevelden, grasland, boomplantages, laagveenmoerassen, eikenbossen en broeklanden even ten oosten van Aarhus, valt de heide tussen alle diversiteit aan vegetatiesoorten nauwelijks op. In Nationalpark Thy, een twaalf kilometer brede strook duinlandschap met heidevelden en wat plantages in het noordwesten van Jutland, is de heide overheersend aanwezig.

Dat verschil is terug te zien in het beheer. Zo bleek er in Mols Bjerge naast het normale heidebeheer, het verschralen van de heide om vergrassing en opslag met bomen te voorkomen, veel meer aandacht voor het beheer van de andere vegetaties en de gehele diversiteit aan plantengroei. Zo worden grote delen van de boomplantages verwijderd om plaats te maken voor schrale graslanden en heide, maar was er tegelijkertijd aandacht om de oude eikenbossen met hun bijzondere plantengroei te behouden.

Rozebottelstruiken

In Thy is het beheer meer gericht op de heide zelf, en daarbij werd één probleem speciaal aangepakt. Ecologen en beheerders maken zich namelijk zorgen over de rozebottelstruiken, een exoot uit Japan die overal in de duinheide opduikt. Die vormen een groeiend probleem, want volgens Rita Buttenschøn van de Universiteit van Kopenhagen is het areaal rozebottels in de afgelopen tien jaar verdrievoudigd. De Deense heidespecialisten experimenteren nu voor de bestrijding van de struiken naar een extreem middel: het bestrijdingsmiddel Roundup. Dit tot afschuw bij veel bezoekende heidespecialisten. Een paardenmiddel, vonden de Nederlanders, want de rozebottel zou dankzij de verschraling van de bodem over een vijftiental jaar waarschijnlijk vanzelf verdwijnen.

Net als in Denemarken uiten die verschillen zich ook elders in Europa in het beheer. Tijdens de workshops vielen twee extremen op. In Noorwegen is een nationaal actieplan opgezet om de complete variatie aan heidelandschappen langs de kust te beschermen, vertelde Mons Kvamme van het heidecentrum Lyngheisenteret in Lygra. Onderliggende gedachte was dat de heidegebieden van menselijke oorsprong zijn, en dat heide gebruikt moet worden om het te behouden. “Als niemand de heidevelden gebruikt, dan verdwijnen ze”, aldus Kvamme. In Noorwegen is dan ook gekozen om boeren de mogelijkheid te geven om de heidegebieden te beheren. Dat kostte het Kvamme en zijn collega’s nog veel moeite. Slechts in 23 van de 585 heidegebieden langs de Noorse kust bleek er bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak en de nodige economische steun om lokale boeren zover te krijgen dat ze het heidebeheer op zich wilde nemen.

Wilde schapen of Feuerlöschpanzer

Het heidebeheer vergt nogal wat van een boer, vertelde Leif Christian Torsøe. Hij runt een traditioneel boerenbedrijf op de heide langs het meest zuidelijke puntje van Noorwegen, in Lindesnes. Met Agder Villsau, Noorse wilde schapen die ondanks hun geringe hoogte over een volwassen man kunnen springen, begraast hij zo’n tweeduizend hectare heide. Daarnaast verzorgt Torsøe ook ander natuurbeheer op de heide, zoals het verwijderen van opslag van sitkasparren en het hakken en branden van de heide. Voor het natuurbeheer krijgt hij een vergoeding van de Noorse overheid, maar daarnaast moet hij inkomsten halen uit de verkoop van vlees en andere producten. Samen met andere boeren in de regio heeft hij de beweidingsvereniging Agden Kystbeitelag opgericht, waarin ze onder meer de vleesverkoop organiseren en samen streven naar een meerwaarde voor het vlees van de wilde schapen.

Een compleet ander plaatje kwam naar voren bij de presentatie van ecoloog Frank Meyer van het bureau Rana uit het Duitse Halle. Hij vertelde over de enorme droge heidevelden in Noordoost-Duitsland, die zijn gevormd door militair gebruik in de tijd van de DDR. In de landen Brandenburg, Mecklenburg, Sachsen-Anhalt en Sachsen bevindt zich meer dan zestig procent van het Duitse areaal van de habitattypes Droge heide en Duinheide, enorme uitgestrekte zandvlaktes en landduinen met struiken calluna-heide. De voormalige oefenterreinen van de DDR liggen echter vol met munitie, waarvan lang niet altijd zeker is of dat veilig is, terwijl het te kostbaar is om de munitie te verwijderen. Daarom zijn niet alleen de technieken om de heide te branden aangepast, er is zelfs een speciale tank ontwikkeld, de Feuerlöschpanzer Spot 55, die ingezet wordt als brandweerwagen. Het is te onveilig voor natuurbeheerders om zelf op de heide te werken, aldus Meyer. De foto’s die Meyer liet zien van de tank werkte op de lachspieren van de heidespecialisten, maar het verhaal van Meyer maakte goed duidelijk welke welhaast surrealistische werkelijkheid er schuilt achter het heidebeheer als je ervoor kiest om voor mensen compleet ontoegankelijke natuur toch met menselijke middelen te beheren.

Bizarre werkelijkheid

De grote vraag die tijdens de European Heathland Workshop naar boven kwam, was wat we nu eigenlijk moeten verstaan onder heide. Veel heidegebieden, van het noorden in Noorwegen tot in Portugal, vallen onder de Europese natuurwetgeving Natura 2000. Maar kijken we naar de beschermde habitattypen die de Deense heidevelden rijk zijn, dan valt op dat er een enorme diversiteit is. Zo overheerst in Thy het habitattype Droge heide, maar zijn in Mols Bjerge naast Vochtige heide ook verschillende typen grasland en bos aanwezig, en is zowel de stuifduin als het blauwgras bij Råbjerg Mile beschermd.

Dat levert ook vraagtekens op ten aanzien van het heidebeheer. In Noordoost-Duitsland wordt alle moeite gedaan om voor Duitsland belangrijke arealen van de habitattypes Droge heide en Duinheide te behouden, maar de inzet van tanks in een met munitie verontreinigd heideterrein laat ook de bizarre werkelijkheid zien van wat een Europese natuurwetgeving als Natura 2000 in de praktijk vermag. Het verhaal van boer Torsøe past dan beter bij het plaatje wat de meeste mensen hebben van natuurbeheer.

Culturele diensten

Het heidebeheer lijkt zich in Europa steeds meer te bewegen richting een integraal beheer, waarbij de heide wordt beschouwd als door mens gemaakt landschap, waarvoor een door de regio bestuurlijk, maatschappelijk en economisch gedragen beheer bij hoort. Alleen bescherming van heidegebieden werkt soms zelfs contraproductief. Leonor Calvo van de Universiteit van León liet in haar presentatie zien dat de beschermde heidegebieden in de Cantabrische bergen van Noord-Spanje sneller dichtgroeien met bos dan de heidegebieden die lokale mensen gebruiken als weidegrond voor grazende schaapskuddes, en waarin diezelfde lokale mensen delen kaal kappen om bosbrand te voorkomen.

Volgens Calvo is het traditionele, extensieve, agrarische en integrale gebruik van heidegebieden dus beter voor de biodiversiteit dan alleen bescherming en ecologisch beheer. Probleem is volgens haar wel dat de traditionele producten die de lokale heideboeren vroeger leverden, zoals vlees en hout, onvoldoende opleveren. De boeren moeten omschakelen naar nieuwe wat Calvo noemt ‘culturele diensten’, zoals het begrazen van de bergen met herten waar toeristen op kunnen jagen of het telen van gele gentiaan als grondstof voor de farmaceutische industrie. “Die culturele diensten leveren geld en werkgelegenheid op, maar daarvoor moet wel het landschap worden beheerd”, aldus Calvo.

Brede definitie

Goed heidebeheer kan volgens Calvo dus geld opleveren. Dat betekent volgens haar twee dingen. Enerzijds moet bij het natuurbeheer in heidegebieden rekening gehouden worden met sociaaleconomische belangen, en moet er rekening gehouden met de economische transformatie van regio’s van een producteconomie van vlees en hout naar een diensteneconomie van ecotoerisme en jacht. Anderzijds benadrukt Calvo dat voor de basis onder die regionale economie – een gezond heide landschap – juist ecologische kennis die nodig is over hoe heidelandschappen zich ontwikkelen, en hoe ze reageren op beheersmaatregelen als begrazing, branden en kappen.

Diezelfde integrale benadering kwam terug bij de presentatie van het boek Economy and Ecology of Heathlands door de Nederlandse ecoloog Henk Siepel van de Radboud Universiteit. In het internationale, wetenschappelijke boek wordt nadrukkelijk gekeken naar de relatie tussen economie en ecologie. Siepel liet een kaart zien van Europa met daarop de gebieden die vallen onder de zeer brede definitie van heide die de auteurs hanteren, namelijk heide als halfopen of open gebied met arme bodem dat is begroeid met heide en gras. Op dat enorme areaal kan volgens Siepel gewerkt worden met beheermethoden zoals Calvo beschreef, waarin de ecologie van een gebied gekoppeld wordt aan de regionale economie. Ook bij Siepel vormt de ecologie de basis voor een gezond en natuurlijk landschap dat diensten oplevert die een stimulans kunnen betekenen voor de regionale economie. Dat lijkt in de voormalige militaire terreinen van de DDR nog een stap te ver, maar in Noorwegen, Spanje en Denemarken worden voorzichtige stappen gezet.

Economy and Ecology of Heathlands, KNNV Uitgeverij, ISBN 9789050114615, 59,95 euro

Randstad als ecologische zone?

Het is vaker gezegd over de Randstad: ‘Voor de internationale zone van Nederland is één ruimtelijk plan voor de komende vijftig jaar nodig. Het gebied valt nu onder elf gemeenten, vier stadsregio’s en twee provincies, terwijl de meeste infrastructuur in beheer is bij de rijksoverheid.’ Communicatiedeskundige Pieter Maes schrijft het op in zijn prettig leesbare boekje De poldermetropool. Daarin schetst hij in het kort de geschiedenis van de Randstad als samenhangende metropool in het internationale speelveld.

Blauwe Kamer 2 2013

De poldermetropool

Maes begint zijn geschiedenis van de Randstad met de jaren zestig, toen het begrip ‘Randstad’ wetenschappelijk werd gemunt door de Britste geograaf Peter Hall die in zijn boek The World Cities de kwaliteiten van de verzameling steden vergeleek met die van Londen en Parijs. In de halve eeuw sindsdien lijkt vooral de economie de stuwende kracht achter de grote ruimtelijke veranderingen die plaatsvinden. Steden groeien uit tot financiële, dienstverlenende, industriële, wetenschappelijke of andere economische clusters die met elkaar verbonden zijn via een zo hoogstaande logistiek dat het concept van Schiphol een exportproduct is geworden. Het groen biedt een aantrekkelijk vestigingsklimaat.

Zo legt Maes trefzeker de zere vinger op hetgeen de Randstad tot een geheel maakt, namelijk dat er helemaal geen eenheid is. De Randstad is een verzameling steden die in concurrentie met elkaar proberen te groeien, en daarvoor grotendeels afhankelijk zijn van macro-economische ontwikkelingen. Desondanks heeft die verzameling een enorme potentie als internationaal belangrijke metropool met een groen hart.

De poldermetropool is geen visionair boek, maar Maes maakt een uitzondering voor Maarten Hajer. De directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving ziet de Randstad als ecologisch ontwikkelingsgebied, met milieuvriendelijke logistiek, productie en kennisontwikkeling. Dat is wel nieuw. Ik had Maes daar graag wat meer onderzoek naar zien doen.

Pieter Maes, De poldermetropool – Wat iedereen moet weten over de Randstad. nai010 uitgevers, ISBN 9789462080478, € 19,50