Kaderrichtlijn Water mist langetermijnvisie op land-waterbeheer

Het waterbeheer is integraler geworden dankzij de Kaderrichtlijn Water, maar heeft weinig invloed gehad op de landbouw of de ruimtelijke ordening. Dat concludeert Leo Santbergen van waterschap Brabantse Delta in zijn promotieonderzoek. De richtlijn is technocratisch uitgewerkt met een strikt blik op 2027, het jaar waarop alle lidstaten uiterlijk aan de Kaderrichtlijn Water moeten voldoen. Waar het nog aan ontbreekt, is een langetermijnvisie op waterkwaliteit in de context van klimaatverandering en een duurzame sociaaleconomische ontwikkeling.

Landwerk, februari 2012

Santbergen promoveerde op 23 januari aan de Radboud Universiteit Nijmegen op een analyse van de implementatie van de Kaderrichtlijn Water in het internationale Maasstroomgebied. Santbergen onderzocht de discussie rondom de Kaderrichtlijn Water vanaf de eerste discussies over de invoering in de jaren negentig tot het jaar 2009, de deadline voor de lidstaten om een maatregelenprogramma op te stellen. Hij keek daarbij vooral naar de spelregels die golden binnen de politieke en beleidsmatige discussies, en de manier waarop die veranderden. De stroomgebiedsbenadering bijvoorbeeld bleek een begrip dat dankzij goed machtsspel vanuit de landbouw en industrie werd ingepast om het huidige land- en watergebruik te behouden. Santbergen pleit om ingewikkelde beleidsdiscussies standaard op een vergelijkbare manier te analyseren.

Technocratische uitwerking

De Kaderrichtlijn Water is succesvol, stelt Santbergen, maar dan wel vooral binnen de watersector zelf. “De KRW heeft wel geleid tot een meer samenhangend waterbeheer. Zo is het beheer van grond- en oppervlaktewater dankzij de richtlijn beter op elkaar afgestemd.” Het is volgens Santbergen niet gelukt de stroomgebiedsbenadering te vertalen naar een langetermijnvisie op een meer duurzaam land- en waterbeheer. “De weerstand bij andere beleidssectoren daarvoor is te groot gebleken uit angst voor te grote negatieve sociaaleconomische gevolgen voor de korte termijn. Daar komt bij dat de vereisten uit de Kaderrichtlijn Water voor meerdere uitleg vatbaar zijn.”

Die technocratische uitwerking van de richtlijn is begrijpelijk als je naar de geschiedenis kijkt, vertelt Santbergen. Oorspronkelijk komt de richtlijn voort uit de wens van de Europese Commissie voor een basis-ecologische richtlijn, maar daar ontstond weerstand tegen vanwege de mogelijke sociaaleconomische gevolgen. “Dus kwam er een Kaderrichtlijn Water die wel het waterbeheer kon stroomlijnen, maar ook duurzame sociaaleconomische ontwikkeling toeliet die de waterkwaliteit negatief kon beïnvloeden.”

Prioritaire stoffen

Toen de richtlijn in 2000 werd ingevoerd, ontstond een vergelijkbare discussie in Nederland. “Het ministerie van LNV was afhoudend, vanwege de zwaar bevochten derogatie in de Nitraatrichtlijn. Zij wilden geen extra regels bovenop de Nitraatrichtlijn.” Hoogtepunt van het sectoraal verzet tegen de nieuwe waterrichtlijn was het Alterra-rapport Aquarein uit 2003, waarin onderzoekers stelde dat twee derde van de landbouw zou verdwijnen als de richtlijn helemaal werd doorgevoerd. Volgens Santbergen was de opdracht aan Alterra een tactische zet van het landbouwministerie.

Buiten de watersector is de Kaderrichtlijn Water hierom minder succesvol. Er wordt in de praktijk bij de implementatie nauwelijks getornd aan het bestaande land- en watergebruik. Volgens Santbergen wordt er bij de implementatie van de richtlijn meer energie gestoken in de rapportage richting Brussel dan in het zoeken naar creatieve oplossingen voor langetermijnproblemen met de waterkwaliteit. “Neem het beleid ten aanzien van prioritaire stoffen. Dat is gericht op het overschrijden van normen, en er wordt veel minder energie gestoken in een brongerichte aanpak. Als je het echt op de langere termijn zou willen aanpakken, dan zou je eigenlijk het Europees productenbeleid moeten veranderen.”

Lichtpuntjes

Santbergen ziet wel lichtpuntjes. “In het Deltaprogramma wordt wel over de lange termijn nagedacht. En de LTO anticipeert met het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer wel op veranderingen in land- en watergebruik, waar het gaat om verdroging, verzilting maar ook en vooral de waterkwaliteit.” Maar er blijft volgens Santbergen een echte langetermijnvisie nodig voor het waterbeheer, eentje die verder kijkt dan 2027. Hij noemt als voorbeeld de problematiek van de hoge zandgronden in Brabant. “Door klimaatverandering zal je daar slimmer om moeten gaan met het beperkt beschikbare zoetwater als je zowel de karakteristieke natuurwaarden als een vitale landbouwsector wilt behouden. Dat kan betekenen dat er geleidelijk verschuivingen in het landgebruik gaan plaatsvinden en water efficiënter benut zal gaan worden in de volgorde sparen-aanvoeren-accepteren. Water sparen is dan het eerste devies, is dat benut dan kun je vervolgens kijken of je nog iets kunt aanvoeren. Tenslotte kun je beter accepteren wat er wel of niet is en daar je land- en watergebruik op aanpassen.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *