Kookboekje Daarom eten we schaap

Voor het praktijknetwerk Daarom eten we schaap schreef ik een boekje over schapenvlees en recepten. Leer schapenvlees (en lamsvlees, natuurlijk) bereiden met het kookboekje Daarom eten we schaap. Het boekje is bedoeld mensen te helpen om schapenvlees en lamsvlees op de juiste manier te bereiden.

Woestenburg, Martin (2014). Daarom eten we schaap. Wageningen: Praktijknetwerk Daarom eten we schaap.

Korte inhoud

  1. Waarom eten we schaap?: Omdat het lekker is. Omdat schapen helpen met natuurbeheer. Omdat extensieve vleesproductie duurzaam is. Omdat het natuurlijk vlees is. Omdat het lokaal is. Omdat het makkelijk is. Omdat…
  2. De smaak van schapenvlees: Schapenvlees is vlees met een garantie voor smakelijke verhalen aan tafel: over schapen met een mooi en natuurlijk leven, schapen die werken in natuur en landschapsbeheer, over het ambacht van boer, slager en kok.
  3. Wereldgerechten: Overal ter wereld eten mensen schapenvlees. Elk werelddeel heeft zijn eigen veelal beroemde en bekende recept dat past bij de nek, schouder, schenkel, rug, lende, bout, borst of buik.
  4. Eerste en tweede snit: Goed smakend schapenvlees valt of staat met de ambachtelijke kunde van de slager. Een schaap is op 150 manieren te versnijden via de eerste en tweede snit.
  5. Het schaap in delen: Waar het schapenvlees vandaan komt, bepaalt wat de kok ervan kan bereiden. De voorkant van een schaap is malser dan de achterkant, de bovenkant weer malser dan de onderkant.
  6. Schapenvlees bereiden: Schapenvlees is net zo makkelijk te braden, grillen, barbecueën, bakken, frituren, stoven, stomen, roken of koken als rundvlees of lamsvlees. Als je maar weet welk deel van het schaap je kunt gebruiken.
  7. Recepten: Irish stew (Ierse stoofpot), Bacalao (Mexicaanse barbecue), Schapentajine met pruimen, honing en amandelen (Marokkaanse sudderpot), marinades voor Tikka (Indiase kebab) en Sosatie (Zuid-Afrikaanse spies), Shoarma (Turks roostervlees en Mechoui (Mediterraanse barbecuekruiden).

Planning by surprise

Planning by surprise – Complexiteit en gebiedsontwikkeling, Hogeschool Van Hall Larenstein, 2012. Tekst en redactie in samenwerking met Wim Timmermans, Lubbert Hakvoort en Michiel Hupkes.

Timmermans, Wim, Hakvoort, Lubbert, Hupkes, Michiel & Woestenburg, Martin (2012). Planning by surprise. Complexiteit en gebiedsontwikkeling. Velp: Hogeschool Van Hall Larenstein.

Voorwoord

We leven in een ingewikkelde wereld. Dat lijkt een dooddoener, maar in de ruimtelijke planning is complexiteit tegenwoordig een van de bepalende factoren bij zowel grote infrastructurele projecten, de aanleg van nieuwe woonwijken of regionale gebiedsontwikkeling, als kleine projecten, zoals de opzet van een buurthuis of de herinrichting van een plein. Dat stelt hoge eisen aan projectorganisaties en projectmanagers, omdat die niet alleen planmatig moeten werken maar ook allerlei procesmatige aspecten in de gaten moeten houden. Naast technische kennis moeten mensen en organisaties ook over veel sociale en organisatorische competenties beschikken, samenwerken is bijna een vereiste, en managers en organisaties moeten voorbereid zijn op toevallige en onverwachte gebeurtenissen.

Dit boek –  Complexiteit en planning – vertelt het verhaal over hoe docenten en studenten in het onderwijs en het onderzoek van Hogeschool Van Hall Larenstein omgaan met complexiteit en planning. Het is bedoeld voor iedereen die bij complexe projecten betrokken is, maar vooral voor huidige en toekomstige studenten van de hogeschool die zullen worden opgeleid voor de omgang met complexe projecten. In het boek willen we aangeven waarom planning complex is geworden, welke theorieën over het onderwerp relevant zijn, en hoe dat aansluit bij de praktijkervaring van docenten en studenten.

Complexiteit is een integraal onderdeel binnen de professionele masteropleiding Professioneel Project- en Procesmanagement van Hogeschool Van Hall Larenstein. Hierin bereiden docenten met veel praktijkervaring studenten – die al een aantal jaren werkervaring hebben – voor op het werken in complexe projecten. Daarbij maken de docenten gebruik van de resultaten van het onderzoek dat binnen het lectoraat Groene leefomgeving van steden is ontwikkeld. In het project Farland onderzochten elf partners uit vijf landen de publiek-private samenwerking in plattelandsontwikkeling. Binnen F:ACTS! werken dertien organisaties uit acht landen aan de omgang met regionale strategieën voor klimaatadaptatie centraal.

Complexiteit en planning is opgedeeld in vijf hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk is een inleidend verhaal over hoe de ruimtelijke planning complex is geworden, en waarom projecten als de Zuiderzeewerken tegenwoordig op een andere manier aangepakt dienen te worden. Dan volgt in het tweede hoofdstuk een inkijkje in het wezen van complexiteit aan de hand van de in de wiskunde en natuurwetenschappen ontwikkelde complexiteitstheorie. In hoofdstuk drie worden de theoretische ontwikkelingen in het projectmanagement geduid, en aangegeven hoe complexiteit van een project eruit ziet.

Daarna komt de praktijk aan bod, de praktische gang van zaken binnen projecten en de manier waarop complexiteit een plek krijgt binnen de beroepspraktijk van studenten en docenten. In het vierde hoofdstuk wordt de praktijk van complexe projecten in zeven fases onderscheiden, die worden geïllustreerd met voorbeelden uit studentenonderzoek en de praktijk van docenten. Het vijfde hoofdstuk is de conclusie, waarin kort wordt uitgelegd wat de combinatie van complexiteit en planning betekent voor de beroepspraktijk waarvoor Van Hall Larenstein mensen opleidt.

Mooie en innovatieve varkensstallen

Mooie en innovatieve varkensstallen, Rijksadviseur voor het Landschap, september 2011. Bijdragen aan boek over prijsvraag voor innovatieve varkensstallen, in opdracht en van en in samenwerking met Rijksadviseur voor het Landschap Yttje Feddes.

The making of: innovatief stalontwerp

Is het mogelijk varkensbedrijven te ontwerpen die wel voldoen aan de maatschappelijke vraag naar een schoon milieu, gelukkige varkens, een mooi landschap zonder detonerende varkensstallen, en die ook nog rendabel zijn? Dat is niet alleen een ontwerpopgave voor architecten en landschapsarchitecten, maar vergt ook creatief denkwerk van de varkensboeren over hun bedrijfsmodel en rentabiliteit, en inventiviteit en creativiteit van gemeentelijke en provinciale ambtenaren in de omgang met wet- en regelgeving. Dat blijkt uit het proces rondom het project Stalontwerp.

De urgentie van het project Stalontwerp bleek uit de grote bereidheid die provincies en maatschappelijke organisaties toonden om mee te werken. Rijksadviseur voor het Landschap Yttje Feddes nam het initiatief, maar al snel namen de provincies dat over. Ze financierde de inzet van de architecten en namen de leiding in de zoektocht naar boeren die wilden meewerken. “Dat was best lastig”, aldus Frank van de Ven van Provincie Noord-Brabant. “Je hebt ondernemers nodig die net op het punt staan om hun bouwplannen concreet te maken, alvorens zij de formele vergunningprocedures opstarten. Maar het is goed gelukt.

“Door de inzet van de provincies en de betrokkenheid van ondernemers kreeg het ontwerpproject een grote realiteitszin”, stelt Van de Ven. Daardoor ontstond er volgens een echt samenwerkingsproject. “De betrokken provincies geven met dit project een invulling aan het convenant Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij dat op landelijk niveau is opgesteld. Dit convenant beoogt de veehouderij te verduurzamen en de architectuur van boerenbedrijven is daarbij één van de speerpunten.”

Multidisciplinaire aanpak

Varkensboeren, wetenschappers en provinciale en gemeentelijke beleidsmakers zijn al jaren bezig met het zoeken naar innovaties voor varkensstallen die wel passen in het huidige, vaak roerige tijdsgewricht, met de hoge eisen die het publiek stelt aan milieu, diervriendelijkheid en landschappelijke schoonheid. Tijdens de startbijeenkomst van het project Stalontwerp op 17 mei bleek duidelijk dat het project Stalontwerp goed aansluit bij de wensen van de varkenshouders om innovatief te groeien, van de wetenschappers om bedrijfssystemen te ontwikkelen die passen bij de maatschappelijke vraag, en van de provincies om te onderzoeken hoe zulke innovatieve varkensstallen passen in het beleid.

Op de startbijeenkomst kwamen zes ontwerpteams, bestaand uit varkensboeren, architecten, agrarische adviseurs, landschapsarchitecten en provinciale beleidsambtenaren, bijeen op het varkensbedrijf van Lambère en Mirella van de Ven in Vinkel. Het ontwerpen van een innovatieve en duurzame varkensstal vergt een multidisciplinaire aanpak, hield Feddes hen voor. In het project Stalontwerp moet dan ook verder gekeken worden dan de bedrijfsvoering en de eisen die gesteld worden vanuit de ruimtelijke ordening, de milieuwetgeving en andere regelgeving. In 2009 liet Feddes een veldverkenning doen naar de landbouwontwikkelingsgebieden. “Daaruit blijkt dat nieuwe varkensstallen vaak buiten de landbouwontwikkelingsgebieden worden gebouwd, en bijna altijd een gesloten, laagwaardig uiterlijk hebben”, vertelde ze.

5 p’s: pigs & pleasure

De uitdaging is een varkensstal te bouwen die elke wethouder in elke gemeente wil hebben en waar boeren en burgers trots op zijn, stelde Annechien ten Have, voorzitter van de vakgroep Varkenshouderij van LTO en lid van de jury. Daarvoor is lef nodig, bij alle deelnemers van de ontwerpteams, maar vooral bij varkenshouders. Ten Have weet als varkenshouder hoe makkelijk het is om voor de standaardoplossingen te kiezen. . “Stallenbouwers hebben kant en klare concepten. Dan is het moeilijk een stapje verder te doen.”

Innoveren betekent dat varkenshouders hun hele bedrijfsvoering moeten omgooien, stelde onderzoeker Onno van Eijk van Wageningen UR Lifestock Research. Als voorbeeld noemde hij de Rondeel-eieren, waar een ronde stal het resultaat was van een complete herordening van de bedrijfsvoering. Ontwerpen betekent volgens Van Eijk zorgen dat je de behoeftes kent van boer, burger, consument, dier tot aan de grotere vraagstukken van klimaat en voedselzekerheid, zorgen dat die behoeftes niet strijdig zijn met elkaar, en maatwerk leveren voor ondernemer, onderneming en omgeving. Het gaat volgens Van Eijk in het project Stalontwerp om vijf P’s: planet, profit, people, maar ook pigs en pleasure.

Maatlat Duurzame Veehouderij

Maar wat is nu een innovatieve, duurzame en maatsschappelijk aanvaardbare varkensstal? De ontwerpteams krijgen te maken met een enorme lijst aan wensen en eisen. Tijdens de startbijeenkomst presenteerde Herman Docters van Leeuwen van Stichting Milieukeur de Maatlat Duurzame Veehouderij als een voorbeeld van onderwerpen die bij de ontwerpen voor het project Stalontwerp ter sprake kunnen komen. Bij de maatlat wordt rekening gehouden met zes thema’s: uitstoot van ammoniak, het dierenwelzijn, de gezondheid van de dieren, energie, fijn stof, en de omgeving van het bedrijf. Docters van Leeuwen benadrukte net als Van Eijk dat het ontwerpen zoeken is naar optimale oplossingen. Zo kan een luchtwasser ingezet worden om ammoniak af te vangen, maar gebruikt die wel weer veel energie.

Tijdens de kennismaking tussen de varkensboeren en de architecten bleek dat die zoektocht naar optimale oplossingen tot hele verschillende ontwerpopgaven leidde. Team Noord-Holland kreeg te maken met een biologische varkensboer die wil uitbreiden, en daarbij ook rekening moet houden met de eisen die aan het bedrijf worden gesteld. Hier ging de zoektocht al snel richting eigen energieopwekking en andere verduurzamende oplossingen. Team Overijssel begon met een bijna compleet uitgewerkt idee voor een ronde varkensstal, maar tijdens het gesprek bleek dat er nog heel wat kwesties uitgewerkt moeten worden.

Kijkje in de keuken

Elke boer is anders, bleek tijdens mijn bezoeken aan de varkenshouders in juli 2011. Elke boer heeft zijn eigen persoonlijke visie op de varkenshouderij, en elke boer heeft met zijn eigen persoonlijke omstandigheden van doen. Dick van de Lagemaat zit bij Voorthuizen met zijn vier locaties met varkensstallen klem tussen de campings en de natuur. Jaco Geurts in Scherpenzeel wil zijn bedrijf uitbreiden, maar dan wel ingepast in het landschap. Harry Henst in Schaik zit midden in het dorp en moet zijn bedrijf verhuizen naar het landbouwontwikkelingsgebied Graspeel in de gemeente Landerd. Herbert en Annemarie Noordman uit Lemelerveld willen naast hun nieuwe serrestallen met vleesvarkens een nieuwe ronde stal voor de fokzeugen. De familie Wennekers uit Schagen willen het bedrijf uitbreiden om te profiteren van de groeiende markt voor biologisch varkensvlees. En Steef Uijttewaal ontwikkelt zich onder de rook van Houten tot een ‘conceptontwikkelaar’ die varkenshouderij combineert met recreatie en landschap.

Een aantal boeren die deelnemen aan het project Stalontwerp zitten echt klem met hun huidige bedrijf. Van de Lagemaat kan op zijn vier huidige locaties nauwelijks uitbreiden. En om aan de eisen op het gebied van milieu en dierenwelzijn te voldoen, moet hij nog veel geld investeren. “En die investering verdien je niet in de markt terug”, vertelt Van de Lagemaat. Hij heeft de boerderij overgenomen van zijn vader. Nu is het moment waarop hij nog maar één ding kan doen. “Ik moet een sprong voorwaarts maken.” Vlak langs de A1 wil Van de Lagemaat daarom een nieuw gesloten bedrijf bouwen voor duizend fokzeugen en achtduizend vleesvarkens. Een open en transparant bedrijf, waar toeristen kunnen kijken hoe de zeugen biggen krijgen en hoe die opgroeien tot vleesvarken.

Varkenstoilet

Ook Henst uit Schaik zit klem. Aan de doorgaande weg richting het centrum van Schaijk, vlak achter een net onderhouden en langgerekt woonhuis, liggen de stallen met achthonderd fokzeugen goed verborgen. Henst en zijn zoon Frank moeten met hun bedrijf weg van deze locatie vanwege de Reconstructiewet, vertelt hij. In de plaats daarvan gaan ze een compleet nieuw, gesloten bedrijf met duizend fokzeugen en negenduizend vleesvarkens bedrijf bouwen in het landbouwontwikkelingsgebied Graspeel in de gemeente Landerd.

Henst is een vernieuwer. Hij houdt zich al jaren enthousiast bezig met allerlei experimenten die op dit gebied zijn georganiseerd. Zo deed hij mee aan het project Varkansen en is hij deelnemer van het netwerk VarkensNET. Hij wil de varkens een zo natuurlijk mogelijk leven bieden, en experimenteert daarvoor onder meer met een varkenstoilet om de propere dieren een aparte plek te bieden. Vergelijkbare nieuwigheden moeten er komen in het nieuwe bedrijf in Graspeel. “Ik wil laten zien dat je een groot en renderend bedrijf kunt neerzetten dat goed scoort qua diervriendelijkheid, milieu, energie, enzovoorts.”

Architectonisch statement

Net als de varkensstallen van Van de Lagemaat en Henst, vallen de varkensstallen van Jaco Geurts in Scherpenzeel nauwelijks op. Ze zijn aan het zicht onttrokken door een houtwal. Geurts heeft nu een gesloten bedrijf met vierhonderd zeugen, en wil uitbreiden naar zeshonderd zeugen en 4500 vleesvarkens. Daardoor zal het bedrijf meer gaan opvallen in het landschap, en Geurts verwacht van het ontwerpteam dat het hem helpt om de varkensstallen goed in te passen. Hij houdt als hobby vleeskoeien, en de koeienstal die op zijn bedrijf staat is voor zijn architect Johan van Sprundel het vertrekpunt bij het ontwerpen.

De stallen van Herbert en Annemarie Noordman in Lemelerveld zijn in vergelijking met de onopvallende stallen in Brabant en Gelderland een architectonisch statement. Twee jaar geleden lieten de Noordmannen deze door broer en agrarisch adviseur Marco Noordman ontworpen serrestallen bouwen. Strak en zwart staan ze in het open landschap. Binnenin is het opvallend licht, dankzij de lichtdoorlatende folie in het dak. De stallen huisvesten nu vierduizend vleesvarkens. Naast die stallen moet een nieuwe stal komen, zodat er een gesloten bedrijf ontstaat met fokzeugen en vleesvarkens.

Vlees met meerwaarde

Herbert en Annemarie Noordman weten wat ze willen. Tijdens de startbijeenkomst van het project Stalontwerp kwamen ze met een compleet uitgewerkt plan voor een ronde, open stal. Ze hebben bewondering voor het marketingconcept van de Rondeel-eieren. “Ik wil vlees produceren dat tussen regulier en biologisch zit”, vertelt de bedachtzame Herbert. “Efficiënt draaien is daarvoor van wezenlijk belang. Biologisch is diervriendelijker maar niet altijd milieuvriendelijker en weinig efficiënt. Ik wil het maximale halen uit alle houderijsystemen, en uitleggen waarom bepaalde dingen niet kunnen. En laten zien dat het varkentje net zo leuk is als het koetje in de wei.” “De toekomst is aan vlees met een meerwaarde”, stelt zijn vrouw Annemarie. “En dan moet het diervriendelijk.”

De gebroeders Uijttewaal zitten met hun varkensbedrijf op het Eiland van Schalkwijk, vlakbij de Lek en op schootsafstand van forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het is een echt familiebedrijf. De broers Steef en Ton regelen de varkens, broer Adrie is de technische man. Steef ontwikkelde zich de laatste tijd steeds meer tot conceptontwikkelaar, en kan daar smakelijk over vertellen. Het land rondom het bedrijf is in de afgelopen jaren opgekocht door investeerders die hoopten dat Houten daar wel een nieuwe woonwijk zou bouwen. De meeste boeren zijn uitgekocht en verdwenen, maar door de crisis blijft het land gewoon landbouwgebied. “Gemeente Houten is nu op zoek naar de blijvers”, vertelt Uijttewaal. De Uijttewaals willen meedoen om het gebied nieuw leven in te blazen, met landbouw maar ook recreatie, en de cultuurhistorie van de vlakbij liggende Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Conceptontwikkelaar

Voor Steef en zijn broers is het nu of nooit meer. “We zijn rond de vijftig”, vertelt hij. “We kunnen nu rustig afbouwen tot ons pensioen, of nog één keer een hele grote stap nemen.” Dat betekent investeren in een nieuwe en innovatieve varkensstal, nieuwe stallen met melkkoeien en voorzieningen voor de recreanten. De helft van de inkomsten moet komen uit de recreatie. De varkens passen in dat recreatieconcept. Het vlees wil Uijttewaal afzetten in de regio als streekproduct. Om dat aantrekkelijk te maken, wordt het nieuwe bedrijf op het Eiland van Schalkwijk dan ook biologisch. De buiten lopende fokzeugen vormen een extra toeristenattractie. Het is eerder een gebiedsontwikkeling dan een nieuwe stal, beaamt Uijttewaal. De varkensboer krijgt daardoor een nieuwe rol als ‘conceptontwikkelaar’.

De familie Wennekers uit Schagen is in meerdere opzichten een uitzondering in het project Stalontwerp. Het is het enige biologische varkensbedrijf in de ontwerpwedstrijd, maar ook het enige bedrijf dat niet zozeer uit ruimtelijke of maatschappelijke noodzaak nieuwe stallen gaat bouwen, maar gewoon omdat de markt voor biologisch vlees een groeimarkt is. Ruud, Lida en zoon Jan houden bij Schagen nu 110 fokzeugen en zo’n 800 vleesvarkens, en willen uitbreiden naar 160 zeugen en 1300 vleesvarkens.

Trots

Bij de familie Wennekers speelt ook de toekomstige overname van het bedrijf. Ruud en Lida zullen nog wel tien tot twintig jaar bij het bedrijf betrokken zijn, maar in die periode zal zoon Jan het bedrijf wel deeltje voor deeltje overnemen. “Daarom moeten de investeringen ook niet te overdreven zijn”, stelt Ruud. Het ontwerp voor een in een dijk gelegen stal rondom de bestaande stallen, dat FARO Architecten maakte, kan gelukkig stapje voor stapje uitgevoerd worden.

Wat opvalt bij de varkensboeren, is dat ze zich terdege bewust zijn van de maatschappelijke gevoeligheden. Dat blijkt uit de keuzes die ze maken voor de inrichting van hun bedrijven. Alle deelnemers kiezen voor een gesloten bedrijf, waar de zeugen biggen krijgen die hun hele leven op het bedrijf blijven, tot het moment dat ze naar het slachthuis gaan. Alle boeren kiezen ook voor openheid en transparantie. Ze zijn trots op hun bedrijf, en dat willen ze graag aan de mensen laten zien. Ze zien hun nieuwe bedrijf vaak zelfs als reclame voor de varkenshouderij, als een mogelijkheid om het imago van de varkenshouders te verbeteren.

Twee werelden

De ontwerpwedstrijd is een ontmoeting tussen twee werelden. Maar weinig architecten die deelnemen aan het project Stalontwerp kennen de varkenshouderij van dichtbij. Johan van Sprundel van SPRIKK, die het ontwerp maakte voor de Gelderse varkensboeren, is de enige die eerder werkte aan een ontwerp voor varkensstallen in het landschap. Michel Melenhorst van DAAD Architecten heeft ervaring met koeienstallen. Jan-Richard Kikkert en Judith Korpershoek van Architectenbureau K2 ontwierpen eerder landschapsspecifieke stallen voor vleeskoeien, melkkoeien en waterbuffels. Steven Schinkel en Hugo de Clercq van FARO Architecten en Janpiet Nicolai ontwerpen voor het eerst voor varkenshouders.

Zo’n ontmoeting gaat heel gemoedelijk, blijkt bij het bezoek dat Kikkert en Korpershoek brengen aan de familie Noordman in Lemelerveld. De ronde stallen die Marco Noordman al in een plan had uitgewerkt, bleken voor de architecten in eerste instantie een stedenbouwkundige opgave, om te kijken hoe de ronde stallen passen bij de strakke, zwarte bestaande stallen voor de vleesvarkens. Er wordt gelachen als Korpershoek laat zien hoe schuine wanden de ronde stallen maken tot een UFO of wat ze noemt een ‘varkensevoluon’, als Herbert Noordman huivert bij een huis in dezelfde vorm, een ‘Roundhouse’. “Het huis moet wel in de taal van het systeem”, vindt Kikkert. Samen rekent iedereen uit hoeveel varkens er in een afdeling kunnen, zeventig. De architecten doen voorstellen, de boer licht toe hoe dat wel of niet in zijn bedrijf past.

Goedkoop

De samenwerking met de varkenshouderij is wel wennen voor de architecten. De varkenshouderij is geen rijke sector, valt al snel op. “Het is wennen aan de manier van bouwen”, vertelt Van Sprundel. “Het moet extreem goedkoop, goedkoper dan een industriehal. Ieder leuk dingetje is al snel te duur.” “Een boer investeert nooit zomaar in een siergevel”, beaamt De Clercq. Melenhorst heeft hier iets minder last van. “Er zijn wat meer mogelijkheden voor aankleding, omdat de nieuwe varkensstallen in Schalkwijk deel uitmaken van het grotere geheel van een gebiedsontwikkeling.”

Meer dan in andere ontwerpopdrachten moeten de architecten daarom ook rekening houden met de bedrijfsvoering van de varkensboer. Elk extraatje dat de architecten voor een varkensstal verzinnen, moet immers door de varkensboer terug verdiend worden. “Je loopt tegen het ondernemerschap van de boer aan”, zo verwoordt Van Sprundel het. De ideeën van de architecten moeten naadloos aansluiten bij de persoonlijkheid van de boer. Zo tekende Van Sprundel een stel kassen bovenop de varkensstallen van Van de Lagemaat bij de A1, maar die vindt zichzelf vooral een varkensboer en ziet niet zoveel in samenwerking met een andere ondernemer. Dat ging dus niet door. Melenhorst tekende voor Uijttewaal in Schalkwijk een plan dat volgens hem goed aansluit bij de ‘eigenwijs diervriendelijke’ uitgangspunten van de boer.

Nieuwe verdienmodellen

De meeste boeren hebben om de ontwerpen te bekostigen ook ideeën ontwikkeld over nieuwe verdienmodellen. Bij de familie Wennekers in Schagen werd die keuze al in 1989 gemaakt toen ze kozen om biologisch varkensvlees te gaan produceren. Steef Uijttewaal in Schalkwijk wil extra geld verdienen door aan te sluiten bij de recreatie rondom de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maar ook door reststromen van de varkenshouderij te vermengen met die uit de koekjesfabriek die vlakbij staat, en via de verkoop van het vlees als streekproduct. Herbert en Annemarie Noordman in Lemelerveld willen meerwaarde halen uit het nieuwe concept dat het beste van de reguliere en de biologische varkenshouderij verenigt. “Dat kun je elders ook inzetten”, denkt Herbert.

De varkensboeren moeten op hun beurt wennen aan de architecten. Van de Lagemaat verwoordt het verschil in denken treffend: “Architecten kijken van buiten naar binnen, boeren van binnen naar buiten”. Dat valt ook op. Waar varkensboeren over de nieuwe stallen praten over de roosters, de mestput, het varkenstoilet, de luchtwasser of de mestvergister, hebben de architecten het over ’typologisch aansluiten’, de ’taal van het systeem’, de landschappelijke inpassing, zichtlijnen, enzovoorts.

Andere gedachten

“Boeren denken vooral aan hoe de varkens zich voelen in het hok”, vertelt Van Sprundel. “Johan ziet de lijnen van de snelweg en de mogelijkheden om daarbij aan te sluiten”, aldus Van de Lagemaat. En dan ontstaat een idee om het weggetje naar de naburige parkeerplaats langs de A1 te leiden om in één klap te zorgen dat het vrachtwagenverkeer niet over de binnenwegen hoeft. Al levert dat Van de Lagemaat wel weer een extra procedure met Rijkswaterstaat op. Voor Geurts haalde Van Sprundel het idee van een zaagdak uit de architectonische geschiedenis, met aan de ene kant licht en aan de andere kant zonnepanelen.

“De boer heeft het over handige looplijnen en of de kelder groot genoeg is”, vertelt Jan Wennekers. “De architect kijkt hoe de burger er tegenaan zou kijken. Adviseurs doen alles standaard, en dan rolt er binnen een half uur een ontwerp uit de computer.” Het idee van de dijkstal zou nooit bij ons zijn opgekomen”, stelt zijn moeder Lida. “Zoiets brengt je op andere gedachten.” Zo’n met grond ingepakte rij van stallen heeft als praktisch voordeel dat het zorgt voor een zeer gematigd klimaat: koel in de zomer, warm in de winter. Daar houden varkens van. Vader Ruud blijft vooral praktisch. “Met het aankleden van silo’s verdien je niets, en die silo’s zijn toch mooi!” Daarop volgt een discussie aan de keukentafel, want Lida ziet de aankleding wel zitten.

Negatieve imago

Judith Korpershoek van K2 relativeert de tegenstelling tussen boeren en architecten en binnen en buiten. “Wij – en ik denk meer architecten – beginnen áltijd van binnenuit, met de manier waarop gebruikers (boeren en varkens) een gebouw gebruiken”, vertelt ze. “Met Herbert, Annemarie en Marco Noordman pingpongen we permanent over de functionele eisen aan de onderkomens en een optimale erfinrichting, vervolgens maken wij een ontwerp voor het hele erf in relatie tot de omgeving. We zijn inmiddels bezig om niet het Roundhouse- maar het serrestal-principe te gebruiken voor het woonhuis, tot genoegen van Herbert en Annemarie. Ook daar gaat het weer over hoe je iets gebruikt, voordat we gaan ontwerpen.”

Een belangrijk ijkpunt bij alle ontwerpen is het negatieve imago van de varkenssector, en de trots die de deelnemende varkensboeren zelf willen uitdragen. “Er zit een ander gevoel bij varkens dan bij koeien”, vindt Melenhorst. “Bij een varkensstal krijg je snel het idee dat het bruin, klein, stoffig, stinken en weggestopt is.” Opvallend is dan ook dat alle deelnemende varkensboeren hun bedrijf als showcase willen laten zien aan het publiek, om positieve reclame te maken voor de sector. In elk ontwerp zit wel een bezoekersruimte en een plek om naar de biggen en de varkens te kijken. Van de Lagemaat wil zelfs onderzoeken of hij vakantiehuizen kan bouwen naast zijn nieuwe varkensstal voor de toeristen in Voorthuizen.

Hip, open en transparant

Architecten spelen hierop in. “Hip, open en transparant”, zo omschrijft De Clercq het imago dat hij ziet voor de familie Wennekers in Schagen. Hip met aanhalingstekens, benadrukt de architect, want het moet niet overdreven worden. “De boerderij moet romantiekgevoelens oproepen in plaats van antigevoelens.” De Clercq en Schinkel ontwierpen hiervoor een ‘prototypische toolkit’ met typerende elementen voor een varkensbedrijf, zoals het woonhuis aan de weg, bomen, het erf, een varkensbos, enzovoorts. Door de stallen te voorzien van Noord-Hollandse siergevels krijgen ze een vriendelijker karakter, en door te kiezen voor een stal in de vorm van een dijk past die goed in het landschap.

De inbreng van de landschapsarchitecten bij het ontwerp betreft vooral het leggen van een verbinding tussen de nieuwe, vaak grote volumes en het landschap. Bij de ontwerpsessie rond het bedrijf van Noordman heeft ervenconsulente Ingrid Nij Bijvank Van Herel van Het Oversticht al een compleet beplantingsplan met lindes op de zichtlijn door de ronde en rechthoekige stallen in. “Ik vind het uitermate belangrijk dat de inbedding in het landschap integraal wordt meegewogen”, stelt ze. “Opschaling, uitbreiding van erven kan juist kansen bieden voor herstel van landschappelijke patronen. Vanaf het begin is beplanting hier een aandachtspunt geweest. Dat vond ik zo bijzonder omdat veel agrariërs beplanting bezien vanuit een negatief daglicht, eerder last dan lust.” De Clercq en Schinkel hebben voor de landschappelijke inpassing van de dijkstal voor de familie Wennekers samengewerkt met landschapsarchitect Hans van Helden van provincie Noord-Holland. Van Sprundel werd bij zijn ontwerp voor Van de Lagemaat geadviseerd door de ervenconsulent van het Gelders Genootschap.

Vernieuwing duurt niet lang

In de ontwerpen komen de verschillende denkwijzen van varkensboeren en architecten samen. Het van buiten naar binnen denken van de architecten sluit zo langzamerhand aan bij het van binnen naar buiten denken van de varkensboeren. Beiden denken na over de vormgeving, maar ook over de logistiek in de gesloten bedrijven, waar fokzeugen biggen krijgen die vleesvarkens worden. Ook in de techniek worden veel nieuwe oplossingen gezocht voor de mestverwerking, de verwarming en koeling, het voerssysteem, de groepshuisvesting van de vleesvarkens en de kraamstallen, om maar enkele van de talloze technische aspecten te noemen.

Van de Ven van Provincie Noord-Brabant is zeer enthousiast over het project Stalontwerp. “De werelden van varkensboeren en architecten liggen vaak ver van elkaar. In een eerdere ontwerpopdracht hadden we al geconstateerd dat ontwerpers en ondernemers onvoldoende met elkaar in contact waren. Daarom is er in dit project gekozen hen van begin af aan samen met de overige adviseurs aan tafel te krijgen. Het project Stalontwerp bevestigt dat deze nieuwe aanpak de goede is. We zijn nu zo ver dat we echt een nieuwe generatie normstellende ontwerpen kunnen presenteren.””

Het is vooral de vernieuwingsdrang die spreekt uit de houding van de varkensboeren die indruk maakt. De varkenshouderij is helemaal niet ‘bruin, klein, stoffig, stinken en weggestopt’, dat valt de architecten ook op. Het is een sector die zichzelf aan het heruitvinden is, met innovaties maar vooral met nieuwe manieren om geld te verdienen met het houden van varkens. “Innovatie gaat sneller dan de afschrijving”, stelt Henst praktisch. “Daarmee kun je je geld dus niet verdienen.”

Wisselend getij – Natuur- en landschapsbeleid in heden en verleden

Wisselend getij – Natuur- en landschapsbeleid in heden en verleden.  Brochure over natuur- en landschapsbeleid, in samenwerking met Jan Klijn schreef, in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving, april 2011. 

Woestenburg, Martin & Klijn, Jan (2011). Wisselend getij. Natuur- en landschapsbeleid in heden en verleden. Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-paper 6. 

Pdf van brochure Wisselend getij

Pdf van Achtergronddocument bij de Natuurverkenning 2011: Wisselend getij – Omgang met en beleid voor natuur en landschap in verleden en heden; een essayistische beschouwing, geschreven door Jan Klijn.

Natuur- en landschapsbeleid afhankelijk van wisselend getij

De geschiedenis leert dat ook het beleid voor natuur en landschap sterk afhankelijk is van het wisselend getij van de maatschappelijke ontwikkeling. In de twintigste eeuw ontwikkelt zich een succesvolle sector van beleid, onderzoek en beheer ten aanzien van natuur en landschap. In de eenentwintigste eeuw waaien er echter nieuwe winden. In deze onzekere tijden zijn goodwill, draagvlak en educatie voor de sector onontbeerlijk, blijkt uit de paper Wisselend getij.

Particulieren geven aan het begin van de twintigste eeuw het startschot voor de ontwikkeling van een natuur- en landschapssector, met Jac. P. Thijsse als oprichter van Vereniging Natuurmonumenten als bekendste voorbeeld. Een echt beleid laat echter lang op zich wachten. Vooral in de laatste drie decennia ontwikkelt zich via een ware beleidsexplosie een professionele sector voor natuur en landschap, die een offensieve ecologische strategie uitrolt voor het ontwikkelen van natuur, met de ecologische hoofdstructuur (EHS) als wenkend perspectief. Aan het einde van de twintigste eeuw weet deze sector zich bijna net zo’n sterk bolwerk als de landbouwsector, mede dankzij een succesvolle combinatie van beleid, onderzoek en beheer.

In het begin van de eenentwintigste eeuw komt de relatief nieuwe sector voor natuur en landschap onder druk te staan. De cultuur verzakelijkt, de rijksoverheid decentraliseert, er komt strikte wet- en regelgeving van de Europese Unie, en er ontstaan nieuwe maatschappelijke opgaven zoals de klimaatverandering, de bevolkingskrimp en in 2008 de economische crisis. In die omgeving komt er steeds meer kritiek op de sector en de offensieve strategie van natuurontwikkeling. Misschien is de sector wel té succesvol. Zelfs het wekende perspectief van de EHS lijkt niet meer te passen bij de vele maatschappelijke onzekerheden.

De sector ziet zich medio 2011 genoopt naar buiten en ver naar voren te kijken. De intrinsieke waarde van de natuur is succesvol bij mensen op het netvlies gebracht, maar er is nu meer aandacht nodig voor de sociale, culturele en economische betekenis ervan, en het menselijk belang. Duidelijk is ook dat de maatschappij minder beïnvloedbaar is door een bolwerk van experts en een overheid die vanuit autoriteit opereert. Wil de sector voor natuur en landschap zich meer open stellen voor de maatschappelijke relevantie van natuur en landschap, dan zijn educatie en communicatie onontbeerlijk. De sector en de overheid zullen samen met de Nederlanders een flexibel beleid moeten ontwikkelen, dat past bij die nieuwe omstandigheden. Dat zal een beleid moeten zijn dat zich aanpast aan het voortdurend veranderende toekomstbeeld wat Nederlanders in deze tijden van klimaatverandering en economische crisis hebben.

Erfgoed van de toekomst

Erfgoed van de toekomst, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, juni 2010. Teksten en redactie. In samenwerking met Sim Visser, Frank Altenburg en Willemien van de Biezen.

Woestenburg, Martin (2010). Erfgoed van de toekomst. Amersfoort: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Inleiding

29 juni 2010 – De vraag wat het erfgoed van de toekomst is, is actueler dan ooit. De historie is in tijden niet zo belangrijk én niet zo vluchtig geweest. Grote geschiedenissen, grote monumenten, grote verhalen lijken in het licht van de versnellende en uitdijende multimediale wereld van het internet en de daaraan hangende waan van de dag ineens bescheiden of zelfs onbelangrijk. Erfgoed is net zo belangrijk als de nieuwste hype of popster. Net zoals Bruce Springsteen dertig jaar geleden werd binnen gehaald als de nieuwe Bob Dylan en Lady Gaga nu wordt geëerd als de nieuwe Madonna is ook erfgoed onderhevig aan mode, verandering en de actuele waardering. Tegelijkertijd is er een grote hang naar nostalgie en een sterk verlangen naar iconen uit het verleden als houvast voor de huidige, vluchtige en vloeibare maatschappij, net zoals de verwijzing naar Madonna Lady Gaga cultureel aantrekkelijker maakt en Springsteen cachet kreeg door de vergelijking met Dylan. Erfgoed is in dit perspectief een teken uit het verleden dat staat voor iets wat in het heden belangrijk gevonden wordt, en is aldus net zo statisch en welhaast kitscherig als een canon of een icoon.

Het is een tegenstrijdig beeld dat oprijst als je de woorden erfgoed en toekomst aan elkaar verbindt. Dat maakt de waardering van erfgoed ingewikkeld, zeker van het erfgoed van de toekomst dat nu al zichtbaar kan zijn. Want is dat erfgoed van de toekomst een monument uit het nabije verleden of betekent zoiets juist de vernietiging van monumenten uit een verder verleden? Is de bijna vanzelfsprekende icoon die de Erasmusbrug in Rotterdam direct na de bouw ervan in 1996 werd belangrijker dan de ongebruikte spoorwegbrug De Hef uit 1878 die door de liefdevol ‘De Zwaan’ genoemde witte constructie in de schaduw werd gezet? En wie bepaalt dat? Zijn dat de bestuurders met hun beleid of de ontwikkelaars die met hun creaties de toon zetten? Zijn het de experts van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de gemeentelijke monumentencommissie of de Commissie Van Oostrom die in 2007 de canon van Nederland vaststelde? Of zijn dat de enthousiastelingen die in hun vrije tijd via internet de bunkers van de Atlantikwall in kaart brengen en documenteren of de dorpelingen die aan het eind van de twintigste eeuw de kerkenpaden rond het Achterhoekse Zieuwent weer begaanbaar maakten?

Behoud door ontwikkeling

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is in het licht van al deze vragen al een aantal jaren bezig met een zelfonderzoek. De rijksoverheid is zich aan het aanpassen aan de veranderende maatschappelijke omstandigheden. Voorheen sectoraal en disciplinair apart behuisde en werkende deskundigen uit de monumentenzorg en de archeologie leven nu gezamenlijk onder dat ene dak van de nieuwbouw aan het Smallepad in Amersfoort. Het cultuurlandschap kwam er als nieuwe peiler bij. Dat alles past beter bij een maatschappij waarin erfgoed niet langer alleen gaat om het object – een monument, een archeologisch object of een ander cultuurhistorisch relict – maar veel meer over de cultuur, het verhaal of de ruimtelijke ontwikkeling, het integrale maatschappelijke proces dat mensen rondom de objecten organiseren. In die zin is het motto van het in 2009 afgesloten stimuleringsprogramma Belvedere nog steeds van kracht: ‘Behoud door ontwikkeling’.

Als onderdeel van het onderzoek organiseerde de dienst in september 2008 een symposium over de vraag wat in de toekomst als erfgoed beschouwd zou worden. Wat zijn in het landschap van nu de monumenten van de toekomst? Dat gebeurde in het Kröller-Müller Museum, waar toen de fototentoonstelling Nature as Artifice te zien was met werk van een keur aan Nederlandse landschapsfotografen. Uit de enquête die de rijksdienst daar onder bezoekers aan die tentoonstelling organiseerde, bleek dat de meeste mensen daar bepaalde foto’s van het toekomstige landschap hadden gemist. Fotograaf Theo Baart wist wel wat de standaard daarvoor is. “De Vermeer van nu had niet Delft geschilderd, maar Schiphol”, stelde hij. “Dat is nu net zo’n uitzonderlijk beeld in het landschap als Delft was in de zeventiende eeuw.”

Liefde en beeldvorming

Met dit boek wil de rijksdienst een staalkaart tonen van de manier waarop er over het erfgoed van de toekomst gedacht kan worden, welke kennis daarbij nodig is en wat het maatschappelijk belang is van het erfgoed dat verborgen zit in gebouwen, het bodemarchief en de landschappen van Nederland. Want wat zoeken mensen in het erfgoed? Marjoleine de Vos, dichteres en NRC-journaliste, beschrijft in haar essay hoe de liefde die zij zocht ontbrak bij de binnenhuisarchitecte van haar ouders, die om de zoveel jaar de huiskamer compleet opnieuw decoreerde, maar juist pijnlijk zichtbaar werd in een jonge Wit-Russische die zich thuis voelde in haar non-descripte stad Minsk.

En hoe zit het met de beeldvorming rondom erfgoed? Maartje van den Heuvel, curator fotografie bij de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit Leiden, stelt in haar essay dat de individuele, centrale visie van de kunstenaar ons leert hoe kunstmatig ons landschap is. Het daarbij passende foto-essay met enkele door het publiek uitgekozen foto’s uit de door Van den Heuvel samengestelde tentoonstelling Nature as Artifice biedt een blik op die beeldvorming, met in het achterhoofd de opmerking die Baart maakte over Vermeer. Ze gaat in haar essay vooral in op de rol die design speelt bij de manier waarop we bijvoorbeeld landschap beschouwen.

Regio en erfgoedtalen

Die foto’s waren voeding voor het rondetafelgesprek dat de rijksdienst organiseerde tussen Liesbeth van der Pol, Yttje Feddes, Wim Eggenkamp en Ton Venhoeven, respectievelijk Rijksbouwmeester en Rijksadviseur voor het Landschap, het Cultureel Erfgoed en de Infrastructuur. Zij stelden het agenderen van de kwestie van het erfgoed van de toekomst zeer op prijs, en waren het erover eens dat het denken vanuit waarden en een focus op de regio een enorm belangrijke rol gaan spelen bij het vooruit en achteruit kijken dat nodig is voor het erfgoed van de toekomst.

Maar wat is de rol van zulke experts, en wat is het belang van hun mening? André van der Zande stelt in zijn essay dat burgers net zo belangrijk zijn voor het erfgoed van de toekomst. Van der Zande is secretaris-generaal bij het ministerie van LNV en nam eind 2009 afscheid als bijzonder hoogleraar Ruimtelijk planning en cultuurhistorie. Volgens hem vermaatschappelijkt het veld van het erfgoed, en dat geeft allerlei aanknopingspunten om erfgoed maatschappelijk in te bedden en kennis uit diezelfde maatschappij te halen door gebruik te maken van internetfora en het ‘sociale Landschap 2.0’. Maar daarvoor moet de erfgoeddeskundige wel nieuwe erfgoedtalen leren.

Levend erfgoed en de rijksdienst

Matthijs Schouten kiest in zijn essay voor een meer filosofische benadering en stelt zich de vraag hoe je erfgoed leven kunt houden. Als landschapsecoloog en docent werkt hij al jaren in het natuurbeheer, niet alleen in Nederland maar ook internationaal. Hij stond in Ierland bijvoorbeeld aan de basis voor het behoud van waardevolle hoogveengebieden. Maar hoe houd je duizend jaar oude cultuurlandschappen levend als het gebruik ervan telkens opnieuw versneld en ingrijpend verandert? Hoe voorkom je dat de monumentale stenen in het eeuwenoude cultuurlandschap van de Burren in West-Ierland hun waarden verliezen of hoe de typische mediterrane heidegebieden in de Portugese Algarve eerst hoogproductieve citrusplantages worden en daarna golfbanen voor het oprukkende toerisme?

De directeur van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Cees van ’t Veen reflecteert in een afsluitend interview op de rol van de rijksdienst voor de toekomst en het erfgoed van de toekomst. Wat is bijvoorbeeld de rol van de rijksdienst tegen de vermaatschappelijking van kennis en deskundigheid die Van der Zande schetst? Hoe kan de rijksdienst de kunst en fotografie gebruiken om erfgoed te zien of vorm te geven? Is de rijksdienst de liefdevolle beheerder van het erfgoed die De Vos zo graag ziet? En hoe houdt de rijksdienst het erfgoed levend, zoals Schouten wil?

Dit boekje over het erfgoed van de toekomst roept grote vragen op die geen eenvoudige antwoorden zullen opleveren, maar ook een hoop inspiratie om verder te denken dan de traditionele erfgoedcanon of de modieuze iconen uit de media om om te gaan met het tegenstrijdige beeld van het erfgoed van de toekomst. De waardering van het erfgoed van de toekomst hangt zowel af van de vluchtige, modieuze en hyperige karaktertrekken van de huidige maatschappij als van het verlangen naar grote geschiedenissen, grote monumenten en grote verhalen om de modes en hypes een diepere maatschappelijke waarde te geven dan de waan van de dag. Er zijn nieuwe waarden en nieuwe vormen van waardering die de moeite waard zijn om te bestuderen, om helder te krijgen wat het erfgoed van de toekomst kan zijn, en om te bedenken hoe die nieuwe geschiedenissen, monumenten en verhalen zich verhouden tot hun oudere evenknieën. Waardering is noodzaak geworden.

Waarheen met het veen

Waarheen met het veen – Kennis voor keuzes in het westelijk veenweidegebied, Uitgeverij Landwerk, 2009. Tekst in opdracht van onderzoeksproject Waarheen met het veen, in samenwerking met Cees Kwakernaak van Alterra.

Woestenburg, Martin & Kwakernaak, Cees (2009). Waarheen met het veen. Kennis voor keuzes in het westelijke veenweidegebied. Wageningen: Landwerk.

Download de pdf: Waarheen met het veen.

Inleiding

De westelijke veenweiden vormen het meest typische Nederlandse landschap dat er is. De cultuurhistorie straalt van de smalle kavels, de zwartbonte koeien, de weidse uitzichten, het water in de sloten, de rietkragen langs de veenplassen, de weidevogels in het gras. Het karakteristieke veenweidelandschap is een rijk landschap. Het is rijk aan natuur, van de weidevogels op de veenweiden met de grutto als boegbeeld tot de moerassen rondom de veenplassen. Het landschap is de bron van een levendige landbouw, met de melkveehouderij al sinds eeuwen als meest karakteristieke hoeder van dat landschap. Het veenweidelandschap is ook een teken van rijkdom, als groen hart voor de omringende steden en als een waardevol groen vestigingsklimaat met veel recreatiemogelijkheden. Het is een landschap dat al eeuwen in beweging is, en dat in de loop van die eeuwen steeds meer waarden in zich heeft weten te verenigen, die te maken hebben met landbouw, natuur, recreatie, cultuurhistorie, woongenot en landschappelijke schoonheid.

De bodem daalt in de westelijke veenweiden, gemiddeld zo’n centimeter per jaar. Dat is het gevolg van de manier waarop mensen de veenweidegebieden gebruiken en hoe het veenweidelandschap wordt beheerd en onderhouden. Daardoor staan de waarden van het veenweidelandschap onder druk. Door de bodemdaling wordt het waterbeheer ingewikkelder en duurder, krijgt de landbouw het op termijn moeilijker, ontstaan er conflicten tussen de verschillende landgebruikers over beheer en ontwikkeling – kortom: er ontstaan maatschappelijke kosten en conflicten. Het is een vicieuze cirkel. Om het land te gebruiken voor de melkveehouderij die zo bepalend is geweest voor het karakteristieke veenweidelandschap is het nodig het waterpeil te verlagen. Peilverlaging leidt echter weer tot verdere bodemdaling en uiteindelijk tot het verlies van de veenbodem, de drager van het landschap.

Functie volgt peil

De vraag is dus hoe het karakteristieke veenweidelandschap kan worden behouden of ontwikkeld zonder dat de bodem zodanig daalt dat er grote maatschappelijke kosten ontstaan. In het onderzoeksproject Waarheen met het veen is deze ingewikkelde problematiek van 2005 tot 2009 onderzocht. Uitgangspunt bij dit onderzoek was de vraag hoe het systeem van bodem en water leidend kan zijn voor het gebruik van het landschap. Daarmee sluit Waarheen met het veen aan bij een omslag in het denken over water en bodem in de ruimtelijke planning. In de ruimtelijke ordening wordt bijvoorbeeld gewerkt met de lagenbenadering, waarbij de ondergrond van bodem en water sturend is voor de ruimtelijke functies daar bovenop. Voor de westelijke veenweiden is dat een logisch uitgangspunt, want de bodemdaling is immers een probleem van bodem en water. De lagenbenadering is voor de westelijke veenweiden uitgewerkt in het concept ‘Functie volgt peil’, waarbij het grondwaterpeil sturend is voor het landgebruik.

Bodem en water vormen de basis van het landschap. Elke ingreep in het beheer en gebruik van de bodem en het water in de westelijke veenweiden heeft direct of op langere termijn gevolgen voor de mensen die het veenweidelandschap gebruiken, de boeren, de bewoners, de natuurbeheerders, enzovoorts. In Waarheen met het veen is daarom ook vooral gekeken naar de manier waarop ingrepen in het bodem- en waterbeheer zodanig kunnen worden ingepast in het landgebruik dat iedereen er voor de langere termijn het maximale uit haalt. Zo ontstaat een robuust veenweidelandschap dat blijvend waardevol is voor alle gebruikers. De manier waarop dat vorm kan krijgen, is onderwerp van dit boek.

Ingrijpen in het systeem van bodem en water betekent maatregelen nemen voor de verre toekomst. Daarom is het van belang om nu te beginnen met de aanpak van de bodemdaling in de westelijke veenweiden, met name in de kwetsbare delen. De problemen in de westelijke veenweiden zijn nu al duidelijk zichtbaar en zullen in de toekomst acuter worden. De effecten van de klimaatverandering zullen het op termijn allemaal alleen maar erger maken – vaker wateroverlast, extremere droogte. Daarnaast dragen de westelijke veenweiden bij aan de uitstoot van broeikasgassen, en daarmee aan de klimaatverandering. Om dat in beeld te brengen is samenwerking gezocht met de klimaatwetenschappers van het programma Klimaat voor ruimte. Zo ontstaat in dit boek een beeld van een integrale aanpak van de westelijke veenweiden, met de bodemdaling als meest ingrijpende probleem, en het vizier gericht op een robuust systeem van water en veenbodem als een basis voor eeuwenlange ontwikkeling van de vele rijkdommen van het karakteristieke veenweidelandschap.