Kookboekje Daarom eten we schaap

Voor het praktijknetwerk Daarom eten we schaap schreef ik een boekje over schapenvlees en recepten. Leer schapenvlees (en lamsvlees, natuurlijk) bereiden met het kookboekje Daarom eten we schaap. Het boekje is bedoeld mensen te helpen om schapenvlees en lamsvlees op de juiste manier te bereiden.

Woestenburg, Martin (2014). Daarom eten we schaap. Wageningen: Praktijknetwerk Daarom eten we schaap.

Korte inhoud

  1. Waarom eten we schaap?: Omdat het lekker is. Omdat schapen helpen met natuurbeheer. Omdat extensieve vleesproductie duurzaam is. Omdat het natuurlijk vlees is. Omdat het lokaal is. Omdat het makkelijk is. Omdat…
  2. De smaak van schapenvlees: Schapenvlees is vlees met een garantie voor smakelijke verhalen aan tafel: over schapen met een mooi en natuurlijk leven, schapen die werken in natuur en landschapsbeheer, over het ambacht van boer, slager en kok.
  3. Wereldgerechten: Overal ter wereld eten mensen schapenvlees. Elk werelddeel heeft zijn eigen veelal beroemde en bekende recept dat past bij de nek, schouder, schenkel, rug, lende, bout, borst of buik.
  4. Eerste en tweede snit: Goed smakend schapenvlees valt of staat met de ambachtelijke kunde van de slager. Een schaap is op 150 manieren te versnijden via de eerste en tweede snit.
  5. Het schaap in delen: Waar het schapenvlees vandaan komt, bepaalt wat de kok ervan kan bereiden. De voorkant van een schaap is malser dan de achterkant, de bovenkant weer malser dan de onderkant.
  6. Schapenvlees bereiden: Schapenvlees is net zo makkelijk te braden, grillen, barbecueën, bakken, frituren, stoven, stomen, roken of koken als rundvlees of lamsvlees. Als je maar weet welk deel van het schaap je kunt gebruiken.
  7. Recepten: Irish stew (Ierse stoofpot), Bacalao (Mexicaanse barbecue), Schapentajine met pruimen, honing en amandelen (Marokkaanse sudderpot), marinades voor Tikka (Indiase kebab) en Sosatie (Zuid-Afrikaanse spies), Shoarma (Turks roostervlees en Mechoui (Mediterraanse barbecuekruiden).

“Natuurbeheer zorgt voor natuurlijke, diervriendelijke en milieuvriendelijke producten”

Bijna zestig mensen waren op 27 februari 2014 aanwezig om te praten over schapenvlees en natuurbeheer, georganiseerd door het Goois Natuurreservaat (GNR) en praktijknetwerk Daarom eten we schaap. De organisatoren hopen dat dit het begin wordt van samenwerking. “Er is behoefte aan een regelmatig overleg tussen betrokkenen, behoefte aan kennisopbouw en -uitwisseling, aan gezamenlijk dingen oppakken, wat door samenwerking beter kan lukken dan ieder voor zich.”

Verslag voor Daarom eten we schaap

Gedeputeerde Jaap Bond opende de bijeenkomst met een enthousiast verhaal over ondernemende schapenhouders die heel vindingrijk meerwaarde halen uit hun producten. Die konden volgens Bond als voorbeeld dienen voor natuurorganisaties als het GNR. “De uitdaging die ik u vandaag mee zou willen geven is samen te onderzoeken welke integrale benadering jullie als experts kunnen bedenken om de natuurbeheertaken en productieketen met elkaar te verbinden. En daarin ook zelfvoorzienend te zijn.”

“Natuurbeheer zorgt voor natuurlijke, diervriendelijke en milieuvriendelijke producten”, aldus Bond. “De vraag naar deze producten neemt toe. Door de voedselschandalen van de afgelopen jaren leggen consumenten steeds meer de aandacht op kwaliteit, streekproducten en service.” Bond bood het GNR de diensten aan van het team Biologisch Ondernemen Noord-Holland, een samenwerkingsverband dat streeft naar meer biologische ondernemingen in Noord-Holland, om te onderzoeken hoe de natuurorganisatie hierin stappen kan ondernemen.

Samenwerking

De natuur van het GNR wordt op dit moment begraasd met 385 schapen en 51 runderen, vertelde directeur Bert van der Moolen in zijn introductie. Van der Moolen ziet kansen in de begrazing voor streekproducten, toerisme en recreatie, en hij ziet een toenemende belangstelling voor het inzetten van schapen in het natuurbeheer. Het GNR is samen met het Restaurant ’t Meenthuis in Blaricum, dat na de expert meeting een lunch met schapenvlees en lamsvlees van het GNR serveerde, aan het kijken hoe deze schapen en runderen kunnen worden vermarkt. Er zijn ook contacten met een slager en een slachthuis.

Van der Moolen wilde graag samen met praktijknetwerk Daarom eten we schaap deze bijeenkomst organiseren om de kennis die er is op het gebied van schapenvlees en natuurbeheer te delen. Het GRN zit namelijk voor een flinke opgave als het gaat om het omgaan met schapenbegrazing en de verkoop van schapenvlees. Van der Moolen noemde de dekking van de kosten en het rendement, de aanpak van de marketing, de promotie en de communicatie rondom het schapenvlees – ‘Be good and tell it’ – en het opzetten van samenwerking rondom het schapenvlees.

 

Martin Woestenburg was na zijn presentatie van enkele resultaten van het praktijknetwerk Daarom eten we schaap duidelijk: “Gebruik schapen en runderen niet om geld te verdienen, maar om natuur en landschap te verkopen!” Volgens Woestenburg is er een opkomende markt voor natuurlijk en diervriendelijk vlees. Hij noemde het voorbeeld van Slow Food, dat lekker (smaak, ambacht), puur (natuur, milieu, landschap) en eerlijk (iedereen een goede boterham) eten propageert. Volgens hem is schapenvlees Slow Food bij uitstek.

Cash cow

Het is niet realistisch om bij de verkoop van schapenvlees te focussen op het verdienen van geld. Aan de hand van het marktonderzoek dat het praktijknetwerk heeft laten uitvoeren door twee studenten van de HAS Den Bosch, liet Woestenburg zien dat schapenhouders geen ‘cash cow’ hebben. Er is dus geen stabiele vorm van inkomsten, en schapenhouders moeten voor alle inkomsten die ze binnen halen veel geld of arbeid investeren. Schapenhouders zijn een soort jongleurs die alle ballen in de lucht houden, aldus Woestenburg.

Voor natuurorganisaties als het GNR ligt dat volgens Woestenburg ongeveer hetzelfde. Volgens Woestenburg is het zinniger in te zetten op het verbinden van alle producten en diensten van het GNR. Het schapenvlees is in dat opzicht een heel geschikt marketingmiddel, want iedereen praat tijdens het eten over wat er op tafel staat.

Slow shit

Schaapherder Stijn Hilgers van het begrazingsbedrijf Schapenheld vertelde hoe hij alle ballen de lucht in houdt, en een echt Slow Food-bedrijf organiseert. Lange tijd was hij afhankelijk geweest van subsidies voor natuurbeheer als basis voor zijn inkomen, maar dat leverde teveel willekeur op. Om minder afhankelijk te zijn van deze subsidies ontwikkelde Hilgers een bedrijfssysteem rondom het ‘pastoraal heideschaap’. Naast inkomsten uit natuurbeheer ging hij zich meer focussen op de schaapskudde zelf als bron van inkomsten. Daarbij gaat het vaak om kleine dingen: hij was al blij als hij een paar duizend euro kon krijgen voor de wol.

Hilgers liet zien dat ondernemen met een schaapskudde een verhaal is met een lange adem, en met veel experimenteerdrift. Zijn kudde bestaat uit Kempische heideschapen, maar om de vleesproductie te verbeteren kruist hij in met onder meer het Vlaams kuddeschaap. Bij het inkruisen houdt hij ook rekening met de kwaliteit van de wol. Daarnaast beheert hij zijn kudde zodanig dat hij de heideschapen ook kan melken, om er kaas van te maken. Zelfs de schapenmest verkoopt Hilgers als ‘Slow shit’, 12,50 euro voor 20 kilo.

Grazers onmisbaar

Belangrijk is het verhaal dat je hebt te vertellen, bleek tijdens de presentatie van Hilgers. Tijdens de lunch beval hij Van der Moolen dan ook aan om tijdens de lammetjesdagen van het GNR een schaap of lam aan het spit te doen. Dat trekt de aandacht, stelde hij, en je kunt er direct je verhaal bij vertellen.

Ecologen twijfelen soms aan de ecologische effectiviteit van schapenbegrazing, meldde Woestenburg. Ecoloog Jinze Noordijk van EIS Kenniscentrum Insecten, en medeauteur van het boek Heidebeheer, liet in zijn presentatie zien dat dit niet terecht is. Als je maar denkt in termen van het eeuwenoude systeem van de heideboeren, met een potstal, uitloopweide, en een heide waar sommige plekken zeer intensief, sommige extensief en sommige helemaal niet werden begraasd. “Grazers zijn onmisbaar voor kenmerkende heideinsecten, een groep die een zeer groot gedeelte van de biodiversiteit uitmaakt op de heide”, stelde Noordijk. Reptielen, broedvogels en sommige spinnen bijvoorbeeld kunnen echter niet goed tegen hoge graasdruk.

Positieve externaliteiten

Vooral op grote heideterreinen is het niet ingewikkeld om de begrazing zo in te richten dat alle dieren er profijt van hebben. Noordijk liet zien hoe dat kon, namelijk met de gedifferentieerde begrazing die de heideboeren ook al gebruikten: van intensieve begrazing rondom de uitloopweide tot helemaal geen begrazing aan de randen van het terrein. Een scala aan soorten kan in zulke terreinen een leefgebied vinden. Voor terreinen kleiner dan veertig hectare is volgens Noordijk een uitgekiende, gestuurde begrazing nodig. Schapenbegrazing is op droge heide ideaal, maar moet op de vochtige heide vaak aangevuld worden met begrazing door runderen, paarden en geiten.

Landbouweconoom Raymond Schrijver verraste de zaal met een grafiek die aantoonde dat Australiërs – ’s werelds grootste exporteur van schapenvlees – relatief steeds meer voor schapenvlees zijn gaan betalen ten opzichte van de exportprijs die ze krijgen op de wereldmarkt. Schrijver wilde hiermee laten zien dat wereldhandel zich niet aan een normale logica houdt, en dat schapenhouders met deze realiteit te maken hebben.

Aan de hand van de matrix uit het marktonderzoek van Daarom eten we schaap ging Schrijver in een nogal ongemakkelijk vraaggesprek met de zaal. Want welke producten en diensten leveren schapenhouders eigenlijk, vroeg Schrijver zich af? Is natuur een dienst? En zo ja, hoeveel geld betaal je daarvoor dan? En wie betaalt dat? Schapenhouders produceren voornamelijk ‘positieve externaliteiten’, stelde Schrijvers, en daarin verschillen schapenhouders nauwelijks van natuurorganisaties als het GNR. Van de natuur die zij ‘produceren’ bijvoorbeeld, profiteren vooral anderen, niet de schapenhouder en het GNR.

Kennisnetwerk

Naast de marketing van schapenvlees, natuurbeheer en andere diensten die schapenhouders en natuurorganisaties leveren, is er volgens Schrijvers aandacht nodig voor de manier waarop de financiering van natuur en landbouw is georganiseerd. De strikte scheiding tussen natuur en landbouw die daarbij wordt aangehouden, zorgt dat bijvoorbeeld vleesproductie van natuurgebieden niet kan meeprofiteren van landbouwsubsidies.

“We moeten kijken hoe we de kennis die we hier hebben gedeeld, met elkaar verder kunnen ontwikkelen”, concludeerde Van der Moolen in zijn slotwoord. Tijdens de lunch bleken daar al de eerste mogelijkheden voor aanwezig. Daarmee lijkt met deze expert meeting een eerste stap te zijn gezet in een kennisnetwerk rondom schapenvlees en natuurbeheer. Van der Moolen en Woestenburg spreken af dat ze samen kijken naar vervolgafspraken en hoe ze daar alle aanwezigen verder bij gaan betrekken. Van der Moolen: “Er is behoefte aan een regelmatig overleg tussen betrokkenen, behoefte aan kennisopbouw en -uitwisseling, aan gezamenlijk dingen oppakken, wat door samenwerking beter kan lukken dan ieder voor zich.”

Planning by surprise

Planning by surprise – Complexiteit en gebiedsontwikkeling, Hogeschool Van Hall Larenstein, 2012. Tekst en redactie in samenwerking met Wim Timmermans, Lubbert Hakvoort en Michiel Hupkes.

Timmermans, Wim, Hakvoort, Lubbert, Hupkes, Michiel & Woestenburg, Martin (2012). Planning by surprise. Complexiteit en gebiedsontwikkeling. Velp: Hogeschool Van Hall Larenstein.

Voorwoord

We leven in een ingewikkelde wereld. Dat lijkt een dooddoener, maar in de ruimtelijke planning is complexiteit tegenwoordig een van de bepalende factoren bij zowel grote infrastructurele projecten, de aanleg van nieuwe woonwijken of regionale gebiedsontwikkeling, als kleine projecten, zoals de opzet van een buurthuis of de herinrichting van een plein. Dat stelt hoge eisen aan projectorganisaties en projectmanagers, omdat die niet alleen planmatig moeten werken maar ook allerlei procesmatige aspecten in de gaten moeten houden. Naast technische kennis moeten mensen en organisaties ook over veel sociale en organisatorische competenties beschikken, samenwerken is bijna een vereiste, en managers en organisaties moeten voorbereid zijn op toevallige en onverwachte gebeurtenissen.

Dit boek –  Complexiteit en planning – vertelt het verhaal over hoe docenten en studenten in het onderwijs en het onderzoek van Hogeschool Van Hall Larenstein omgaan met complexiteit en planning. Het is bedoeld voor iedereen die bij complexe projecten betrokken is, maar vooral voor huidige en toekomstige studenten van de hogeschool die zullen worden opgeleid voor de omgang met complexe projecten. In het boek willen we aangeven waarom planning complex is geworden, welke theorieën over het onderwerp relevant zijn, en hoe dat aansluit bij de praktijkervaring van docenten en studenten.

Complexiteit is een integraal onderdeel binnen de professionele masteropleiding Professioneel Project- en Procesmanagement van Hogeschool Van Hall Larenstein. Hierin bereiden docenten met veel praktijkervaring studenten – die al een aantal jaren werkervaring hebben – voor op het werken in complexe projecten. Daarbij maken de docenten gebruik van de resultaten van het onderzoek dat binnen het lectoraat Groene leefomgeving van steden is ontwikkeld. In het project Farland onderzochten elf partners uit vijf landen de publiek-private samenwerking in plattelandsontwikkeling. Binnen F:ACTS! werken dertien organisaties uit acht landen aan de omgang met regionale strategieën voor klimaatadaptatie centraal.

Complexiteit en planning is opgedeeld in vijf hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk is een inleidend verhaal over hoe de ruimtelijke planning complex is geworden, en waarom projecten als de Zuiderzeewerken tegenwoordig op een andere manier aangepakt dienen te worden. Dan volgt in het tweede hoofdstuk een inkijkje in het wezen van complexiteit aan de hand van de in de wiskunde en natuurwetenschappen ontwikkelde complexiteitstheorie. In hoofdstuk drie worden de theoretische ontwikkelingen in het projectmanagement geduid, en aangegeven hoe complexiteit van een project eruit ziet.

Daarna komt de praktijk aan bod, de praktische gang van zaken binnen projecten en de manier waarop complexiteit een plek krijgt binnen de beroepspraktijk van studenten en docenten. In het vierde hoofdstuk wordt de praktijk van complexe projecten in zeven fases onderscheiden, die worden geïllustreerd met voorbeelden uit studentenonderzoek en de praktijk van docenten. Het vijfde hoofdstuk is de conclusie, waarin kort wordt uitgelegd wat de combinatie van complexiteit en planning betekent voor de beroepspraktijk waarvoor Van Hall Larenstein mensen opleidt.

Mooie en innovatieve varkensstallen

Mooie en innovatieve varkensstallen, Rijksadviseur voor het Landschap, september 2011. Bijdragen aan boek over prijsvraag voor innovatieve varkensstallen, in opdracht en van en in samenwerking met Rijksadviseur voor het Landschap Yttje Feddes.

The making of: innovatief stalontwerp

Is het mogelijk varkensbedrijven te ontwerpen die wel voldoen aan de maatschappelijke vraag naar een schoon milieu, gelukkige varkens, een mooi landschap zonder detonerende varkensstallen, en die ook nog rendabel zijn? Dat is niet alleen een ontwerpopgave voor architecten en landschapsarchitecten, maar vergt ook creatief denkwerk van de varkensboeren over hun bedrijfsmodel en rentabiliteit, en inventiviteit en creativiteit van gemeentelijke en provinciale ambtenaren in de omgang met wet- en regelgeving. Dat blijkt uit het proces rondom het project Stalontwerp.

De urgentie van het project Stalontwerp bleek uit de grote bereidheid die provincies en maatschappelijke organisaties toonden om mee te werken. Rijksadviseur voor het Landschap Yttje Feddes nam het initiatief, maar al snel namen de provincies dat over. Ze financierde de inzet van de architecten en namen de leiding in de zoektocht naar boeren die wilden meewerken. “Dat was best lastig”, aldus Frank van de Ven van Provincie Noord-Brabant. “Je hebt ondernemers nodig die net op het punt staan om hun bouwplannen concreet te maken, alvorens zij de formele vergunningprocedures opstarten. Maar het is goed gelukt.

“Door de inzet van de provincies en de betrokkenheid van ondernemers kreeg het ontwerpproject een grote realiteitszin”, stelt Van de Ven. Daardoor ontstond er volgens een echt samenwerkingsproject. “De betrokken provincies geven met dit project een invulling aan het convenant Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij dat op landelijk niveau is opgesteld. Dit convenant beoogt de veehouderij te verduurzamen en de architectuur van boerenbedrijven is daarbij één van de speerpunten.”

Multidisciplinaire aanpak

Varkensboeren, wetenschappers en provinciale en gemeentelijke beleidsmakers zijn al jaren bezig met het zoeken naar innovaties voor varkensstallen die wel passen in het huidige, vaak roerige tijdsgewricht, met de hoge eisen die het publiek stelt aan milieu, diervriendelijkheid en landschappelijke schoonheid. Tijdens de startbijeenkomst van het project Stalontwerp op 17 mei bleek duidelijk dat het project Stalontwerp goed aansluit bij de wensen van de varkenshouders om innovatief te groeien, van de wetenschappers om bedrijfssystemen te ontwikkelen die passen bij de maatschappelijke vraag, en van de provincies om te onderzoeken hoe zulke innovatieve varkensstallen passen in het beleid.

Op de startbijeenkomst kwamen zes ontwerpteams, bestaand uit varkensboeren, architecten, agrarische adviseurs, landschapsarchitecten en provinciale beleidsambtenaren, bijeen op het varkensbedrijf van Lambère en Mirella van de Ven in Vinkel. Het ontwerpen van een innovatieve en duurzame varkensstal vergt een multidisciplinaire aanpak, hield Feddes hen voor. In het project Stalontwerp moet dan ook verder gekeken worden dan de bedrijfsvoering en de eisen die gesteld worden vanuit de ruimtelijke ordening, de milieuwetgeving en andere regelgeving. In 2009 liet Feddes een veldverkenning doen naar de landbouwontwikkelingsgebieden. “Daaruit blijkt dat nieuwe varkensstallen vaak buiten de landbouwontwikkelingsgebieden worden gebouwd, en bijna altijd een gesloten, laagwaardig uiterlijk hebben”, vertelde ze.

5 p’s: pigs & pleasure

De uitdaging is een varkensstal te bouwen die elke wethouder in elke gemeente wil hebben en waar boeren en burgers trots op zijn, stelde Annechien ten Have, voorzitter van de vakgroep Varkenshouderij van LTO en lid van de jury. Daarvoor is lef nodig, bij alle deelnemers van de ontwerpteams, maar vooral bij varkenshouders. Ten Have weet als varkenshouder hoe makkelijk het is om voor de standaardoplossingen te kiezen. . “Stallenbouwers hebben kant en klare concepten. Dan is het moeilijk een stapje verder te doen.”

Innoveren betekent dat varkenshouders hun hele bedrijfsvoering moeten omgooien, stelde onderzoeker Onno van Eijk van Wageningen UR Lifestock Research. Als voorbeeld noemde hij de Rondeel-eieren, waar een ronde stal het resultaat was van een complete herordening van de bedrijfsvoering. Ontwerpen betekent volgens Van Eijk zorgen dat je de behoeftes kent van boer, burger, consument, dier tot aan de grotere vraagstukken van klimaat en voedselzekerheid, zorgen dat die behoeftes niet strijdig zijn met elkaar, en maatwerk leveren voor ondernemer, onderneming en omgeving. Het gaat volgens Van Eijk in het project Stalontwerp om vijf P’s: planet, profit, people, maar ook pigs en pleasure.

Maatlat Duurzame Veehouderij

Maar wat is nu een innovatieve, duurzame en maatsschappelijk aanvaardbare varkensstal? De ontwerpteams krijgen te maken met een enorme lijst aan wensen en eisen. Tijdens de startbijeenkomst presenteerde Herman Docters van Leeuwen van Stichting Milieukeur de Maatlat Duurzame Veehouderij als een voorbeeld van onderwerpen die bij de ontwerpen voor het project Stalontwerp ter sprake kunnen komen. Bij de maatlat wordt rekening gehouden met zes thema’s: uitstoot van ammoniak, het dierenwelzijn, de gezondheid van de dieren, energie, fijn stof, en de omgeving van het bedrijf. Docters van Leeuwen benadrukte net als Van Eijk dat het ontwerpen zoeken is naar optimale oplossingen. Zo kan een luchtwasser ingezet worden om ammoniak af te vangen, maar gebruikt die wel weer veel energie.

Tijdens de kennismaking tussen de varkensboeren en de architecten bleek dat die zoektocht naar optimale oplossingen tot hele verschillende ontwerpopgaven leidde. Team Noord-Holland kreeg te maken met een biologische varkensboer die wil uitbreiden, en daarbij ook rekening moet houden met de eisen die aan het bedrijf worden gesteld. Hier ging de zoektocht al snel richting eigen energieopwekking en andere verduurzamende oplossingen. Team Overijssel begon met een bijna compleet uitgewerkt idee voor een ronde varkensstal, maar tijdens het gesprek bleek dat er nog heel wat kwesties uitgewerkt moeten worden.

Kijkje in de keuken

Elke boer is anders, bleek tijdens mijn bezoeken aan de varkenshouders in juli 2011. Elke boer heeft zijn eigen persoonlijke visie op de varkenshouderij, en elke boer heeft met zijn eigen persoonlijke omstandigheden van doen. Dick van de Lagemaat zit bij Voorthuizen met zijn vier locaties met varkensstallen klem tussen de campings en de natuur. Jaco Geurts in Scherpenzeel wil zijn bedrijf uitbreiden, maar dan wel ingepast in het landschap. Harry Henst in Schaik zit midden in het dorp en moet zijn bedrijf verhuizen naar het landbouwontwikkelingsgebied Graspeel in de gemeente Landerd. Herbert en Annemarie Noordman uit Lemelerveld willen naast hun nieuwe serrestallen met vleesvarkens een nieuwe ronde stal voor de fokzeugen. De familie Wennekers uit Schagen willen het bedrijf uitbreiden om te profiteren van de groeiende markt voor biologisch varkensvlees. En Steef Uijttewaal ontwikkelt zich onder de rook van Houten tot een ‘conceptontwikkelaar’ die varkenshouderij combineert met recreatie en landschap.

Een aantal boeren die deelnemen aan het project Stalontwerp zitten echt klem met hun huidige bedrijf. Van de Lagemaat kan op zijn vier huidige locaties nauwelijks uitbreiden. En om aan de eisen op het gebied van milieu en dierenwelzijn te voldoen, moet hij nog veel geld investeren. “En die investering verdien je niet in de markt terug”, vertelt Van de Lagemaat. Hij heeft de boerderij overgenomen van zijn vader. Nu is het moment waarop hij nog maar één ding kan doen. “Ik moet een sprong voorwaarts maken.” Vlak langs de A1 wil Van de Lagemaat daarom een nieuw gesloten bedrijf bouwen voor duizend fokzeugen en achtduizend vleesvarkens. Een open en transparant bedrijf, waar toeristen kunnen kijken hoe de zeugen biggen krijgen en hoe die opgroeien tot vleesvarken.

Varkenstoilet

Ook Henst uit Schaik zit klem. Aan de doorgaande weg richting het centrum van Schaijk, vlak achter een net onderhouden en langgerekt woonhuis, liggen de stallen met achthonderd fokzeugen goed verborgen. Henst en zijn zoon Frank moeten met hun bedrijf weg van deze locatie vanwege de Reconstructiewet, vertelt hij. In de plaats daarvan gaan ze een compleet nieuw, gesloten bedrijf met duizend fokzeugen en negenduizend vleesvarkens bedrijf bouwen in het landbouwontwikkelingsgebied Graspeel in de gemeente Landerd.

Henst is een vernieuwer. Hij houdt zich al jaren enthousiast bezig met allerlei experimenten die op dit gebied zijn georganiseerd. Zo deed hij mee aan het project Varkansen en is hij deelnemer van het netwerk VarkensNET. Hij wil de varkens een zo natuurlijk mogelijk leven bieden, en experimenteert daarvoor onder meer met een varkenstoilet om de propere dieren een aparte plek te bieden. Vergelijkbare nieuwigheden moeten er komen in het nieuwe bedrijf in Graspeel. “Ik wil laten zien dat je een groot en renderend bedrijf kunt neerzetten dat goed scoort qua diervriendelijkheid, milieu, energie, enzovoorts.”

Architectonisch statement

Net als de varkensstallen van Van de Lagemaat en Henst, vallen de varkensstallen van Jaco Geurts in Scherpenzeel nauwelijks op. Ze zijn aan het zicht onttrokken door een houtwal. Geurts heeft nu een gesloten bedrijf met vierhonderd zeugen, en wil uitbreiden naar zeshonderd zeugen en 4500 vleesvarkens. Daardoor zal het bedrijf meer gaan opvallen in het landschap, en Geurts verwacht van het ontwerpteam dat het hem helpt om de varkensstallen goed in te passen. Hij houdt als hobby vleeskoeien, en de koeienstal die op zijn bedrijf staat is voor zijn architect Johan van Sprundel het vertrekpunt bij het ontwerpen.

De stallen van Herbert en Annemarie Noordman in Lemelerveld zijn in vergelijking met de onopvallende stallen in Brabant en Gelderland een architectonisch statement. Twee jaar geleden lieten de Noordmannen deze door broer en agrarisch adviseur Marco Noordman ontworpen serrestallen bouwen. Strak en zwart staan ze in het open landschap. Binnenin is het opvallend licht, dankzij de lichtdoorlatende folie in het dak. De stallen huisvesten nu vierduizend vleesvarkens. Naast die stallen moet een nieuwe stal komen, zodat er een gesloten bedrijf ontstaat met fokzeugen en vleesvarkens.

Vlees met meerwaarde

Herbert en Annemarie Noordman weten wat ze willen. Tijdens de startbijeenkomst van het project Stalontwerp kwamen ze met een compleet uitgewerkt plan voor een ronde, open stal. Ze hebben bewondering voor het marketingconcept van de Rondeel-eieren. “Ik wil vlees produceren dat tussen regulier en biologisch zit”, vertelt de bedachtzame Herbert. “Efficiënt draaien is daarvoor van wezenlijk belang. Biologisch is diervriendelijker maar niet altijd milieuvriendelijker en weinig efficiënt. Ik wil het maximale halen uit alle houderijsystemen, en uitleggen waarom bepaalde dingen niet kunnen. En laten zien dat het varkentje net zo leuk is als het koetje in de wei.” “De toekomst is aan vlees met een meerwaarde”, stelt zijn vrouw Annemarie. “En dan moet het diervriendelijk.”

De gebroeders Uijttewaal zitten met hun varkensbedrijf op het Eiland van Schalkwijk, vlakbij de Lek en op schootsafstand van forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het is een echt familiebedrijf. De broers Steef en Ton regelen de varkens, broer Adrie is de technische man. Steef ontwikkelde zich de laatste tijd steeds meer tot conceptontwikkelaar, en kan daar smakelijk over vertellen. Het land rondom het bedrijf is in de afgelopen jaren opgekocht door investeerders die hoopten dat Houten daar wel een nieuwe woonwijk zou bouwen. De meeste boeren zijn uitgekocht en verdwenen, maar door de crisis blijft het land gewoon landbouwgebied. “Gemeente Houten is nu op zoek naar de blijvers”, vertelt Uijttewaal. De Uijttewaals willen meedoen om het gebied nieuw leven in te blazen, met landbouw maar ook recreatie, en de cultuurhistorie van de vlakbij liggende Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Conceptontwikkelaar

Voor Steef en zijn broers is het nu of nooit meer. “We zijn rond de vijftig”, vertelt hij. “We kunnen nu rustig afbouwen tot ons pensioen, of nog één keer een hele grote stap nemen.” Dat betekent investeren in een nieuwe en innovatieve varkensstal, nieuwe stallen met melkkoeien en voorzieningen voor de recreanten. De helft van de inkomsten moet komen uit de recreatie. De varkens passen in dat recreatieconcept. Het vlees wil Uijttewaal afzetten in de regio als streekproduct. Om dat aantrekkelijk te maken, wordt het nieuwe bedrijf op het Eiland van Schalkwijk dan ook biologisch. De buiten lopende fokzeugen vormen een extra toeristenattractie. Het is eerder een gebiedsontwikkeling dan een nieuwe stal, beaamt Uijttewaal. De varkensboer krijgt daardoor een nieuwe rol als ‘conceptontwikkelaar’.

De familie Wennekers uit Schagen is in meerdere opzichten een uitzondering in het project Stalontwerp. Het is het enige biologische varkensbedrijf in de ontwerpwedstrijd, maar ook het enige bedrijf dat niet zozeer uit ruimtelijke of maatschappelijke noodzaak nieuwe stallen gaat bouwen, maar gewoon omdat de markt voor biologisch vlees een groeimarkt is. Ruud, Lida en zoon Jan houden bij Schagen nu 110 fokzeugen en zo’n 800 vleesvarkens, en willen uitbreiden naar 160 zeugen en 1300 vleesvarkens.

Trots

Bij de familie Wennekers speelt ook de toekomstige overname van het bedrijf. Ruud en Lida zullen nog wel tien tot twintig jaar bij het bedrijf betrokken zijn, maar in die periode zal zoon Jan het bedrijf wel deeltje voor deeltje overnemen. “Daarom moeten de investeringen ook niet te overdreven zijn”, stelt Ruud. Het ontwerp voor een in een dijk gelegen stal rondom de bestaande stallen, dat FARO Architecten maakte, kan gelukkig stapje voor stapje uitgevoerd worden.

Wat opvalt bij de varkensboeren, is dat ze zich terdege bewust zijn van de maatschappelijke gevoeligheden. Dat blijkt uit de keuzes die ze maken voor de inrichting van hun bedrijven. Alle deelnemers kiezen voor een gesloten bedrijf, waar de zeugen biggen krijgen die hun hele leven op het bedrijf blijven, tot het moment dat ze naar het slachthuis gaan. Alle boeren kiezen ook voor openheid en transparantie. Ze zijn trots op hun bedrijf, en dat willen ze graag aan de mensen laten zien. Ze zien hun nieuwe bedrijf vaak zelfs als reclame voor de varkenshouderij, als een mogelijkheid om het imago van de varkenshouders te verbeteren.

Twee werelden

De ontwerpwedstrijd is een ontmoeting tussen twee werelden. Maar weinig architecten die deelnemen aan het project Stalontwerp kennen de varkenshouderij van dichtbij. Johan van Sprundel van SPRIKK, die het ontwerp maakte voor de Gelderse varkensboeren, is de enige die eerder werkte aan een ontwerp voor varkensstallen in het landschap. Michel Melenhorst van DAAD Architecten heeft ervaring met koeienstallen. Jan-Richard Kikkert en Judith Korpershoek van Architectenbureau K2 ontwierpen eerder landschapsspecifieke stallen voor vleeskoeien, melkkoeien en waterbuffels. Steven Schinkel en Hugo de Clercq van FARO Architecten en Janpiet Nicolai ontwerpen voor het eerst voor varkenshouders.

Zo’n ontmoeting gaat heel gemoedelijk, blijkt bij het bezoek dat Kikkert en Korpershoek brengen aan de familie Noordman in Lemelerveld. De ronde stallen die Marco Noordman al in een plan had uitgewerkt, bleken voor de architecten in eerste instantie een stedenbouwkundige opgave, om te kijken hoe de ronde stallen passen bij de strakke, zwarte bestaande stallen voor de vleesvarkens. Er wordt gelachen als Korpershoek laat zien hoe schuine wanden de ronde stallen maken tot een UFO of wat ze noemt een ‘varkensevoluon’, als Herbert Noordman huivert bij een huis in dezelfde vorm, een ‘Roundhouse’. “Het huis moet wel in de taal van het systeem”, vindt Kikkert. Samen rekent iedereen uit hoeveel varkens er in een afdeling kunnen, zeventig. De architecten doen voorstellen, de boer licht toe hoe dat wel of niet in zijn bedrijf past.

Goedkoop

De samenwerking met de varkenshouderij is wel wennen voor de architecten. De varkenshouderij is geen rijke sector, valt al snel op. “Het is wennen aan de manier van bouwen”, vertelt Van Sprundel. “Het moet extreem goedkoop, goedkoper dan een industriehal. Ieder leuk dingetje is al snel te duur.” “Een boer investeert nooit zomaar in een siergevel”, beaamt De Clercq. Melenhorst heeft hier iets minder last van. “Er zijn wat meer mogelijkheden voor aankleding, omdat de nieuwe varkensstallen in Schalkwijk deel uitmaken van het grotere geheel van een gebiedsontwikkeling.”

Meer dan in andere ontwerpopdrachten moeten de architecten daarom ook rekening houden met de bedrijfsvoering van de varkensboer. Elk extraatje dat de architecten voor een varkensstal verzinnen, moet immers door de varkensboer terug verdiend worden. “Je loopt tegen het ondernemerschap van de boer aan”, zo verwoordt Van Sprundel het. De ideeën van de architecten moeten naadloos aansluiten bij de persoonlijkheid van de boer. Zo tekende Van Sprundel een stel kassen bovenop de varkensstallen van Van de Lagemaat bij de A1, maar die vindt zichzelf vooral een varkensboer en ziet niet zoveel in samenwerking met een andere ondernemer. Dat ging dus niet door. Melenhorst tekende voor Uijttewaal in Schalkwijk een plan dat volgens hem goed aansluit bij de ‘eigenwijs diervriendelijke’ uitgangspunten van de boer.

Nieuwe verdienmodellen

De meeste boeren hebben om de ontwerpen te bekostigen ook ideeën ontwikkeld over nieuwe verdienmodellen. Bij de familie Wennekers in Schagen werd die keuze al in 1989 gemaakt toen ze kozen om biologisch varkensvlees te gaan produceren. Steef Uijttewaal in Schalkwijk wil extra geld verdienen door aan te sluiten bij de recreatie rondom de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maar ook door reststromen van de varkenshouderij te vermengen met die uit de koekjesfabriek die vlakbij staat, en via de verkoop van het vlees als streekproduct. Herbert en Annemarie Noordman in Lemelerveld willen meerwaarde halen uit het nieuwe concept dat het beste van de reguliere en de biologische varkenshouderij verenigt. “Dat kun je elders ook inzetten”, denkt Herbert.

De varkensboeren moeten op hun beurt wennen aan de architecten. Van de Lagemaat verwoordt het verschil in denken treffend: “Architecten kijken van buiten naar binnen, boeren van binnen naar buiten”. Dat valt ook op. Waar varkensboeren over de nieuwe stallen praten over de roosters, de mestput, het varkenstoilet, de luchtwasser of de mestvergister, hebben de architecten het over ’typologisch aansluiten’, de ’taal van het systeem’, de landschappelijke inpassing, zichtlijnen, enzovoorts.

Andere gedachten

“Boeren denken vooral aan hoe de varkens zich voelen in het hok”, vertelt Van Sprundel. “Johan ziet de lijnen van de snelweg en de mogelijkheden om daarbij aan te sluiten”, aldus Van de Lagemaat. En dan ontstaat een idee om het weggetje naar de naburige parkeerplaats langs de A1 te leiden om in één klap te zorgen dat het vrachtwagenverkeer niet over de binnenwegen hoeft. Al levert dat Van de Lagemaat wel weer een extra procedure met Rijkswaterstaat op. Voor Geurts haalde Van Sprundel het idee van een zaagdak uit de architectonische geschiedenis, met aan de ene kant licht en aan de andere kant zonnepanelen.

“De boer heeft het over handige looplijnen en of de kelder groot genoeg is”, vertelt Jan Wennekers. “De architect kijkt hoe de burger er tegenaan zou kijken. Adviseurs doen alles standaard, en dan rolt er binnen een half uur een ontwerp uit de computer.” Het idee van de dijkstal zou nooit bij ons zijn opgekomen”, stelt zijn moeder Lida. “Zoiets brengt je op andere gedachten.” Zo’n met grond ingepakte rij van stallen heeft als praktisch voordeel dat het zorgt voor een zeer gematigd klimaat: koel in de zomer, warm in de winter. Daar houden varkens van. Vader Ruud blijft vooral praktisch. “Met het aankleden van silo’s verdien je niets, en die silo’s zijn toch mooi!” Daarop volgt een discussie aan de keukentafel, want Lida ziet de aankleding wel zitten.

Negatieve imago

Judith Korpershoek van K2 relativeert de tegenstelling tussen boeren en architecten en binnen en buiten. “Wij – en ik denk meer architecten – beginnen áltijd van binnenuit, met de manier waarop gebruikers (boeren en varkens) een gebouw gebruiken”, vertelt ze. “Met Herbert, Annemarie en Marco Noordman pingpongen we permanent over de functionele eisen aan de onderkomens en een optimale erfinrichting, vervolgens maken wij een ontwerp voor het hele erf in relatie tot de omgeving. We zijn inmiddels bezig om niet het Roundhouse- maar het serrestal-principe te gebruiken voor het woonhuis, tot genoegen van Herbert en Annemarie. Ook daar gaat het weer over hoe je iets gebruikt, voordat we gaan ontwerpen.”

Een belangrijk ijkpunt bij alle ontwerpen is het negatieve imago van de varkenssector, en de trots die de deelnemende varkensboeren zelf willen uitdragen. “Er zit een ander gevoel bij varkens dan bij koeien”, vindt Melenhorst. “Bij een varkensstal krijg je snel het idee dat het bruin, klein, stoffig, stinken en weggestopt is.” Opvallend is dan ook dat alle deelnemende varkensboeren hun bedrijf als showcase willen laten zien aan het publiek, om positieve reclame te maken voor de sector. In elk ontwerp zit wel een bezoekersruimte en een plek om naar de biggen en de varkens te kijken. Van de Lagemaat wil zelfs onderzoeken of hij vakantiehuizen kan bouwen naast zijn nieuwe varkensstal voor de toeristen in Voorthuizen.

Hip, open en transparant

Architecten spelen hierop in. “Hip, open en transparant”, zo omschrijft De Clercq het imago dat hij ziet voor de familie Wennekers in Schagen. Hip met aanhalingstekens, benadrukt de architect, want het moet niet overdreven worden. “De boerderij moet romantiekgevoelens oproepen in plaats van antigevoelens.” De Clercq en Schinkel ontwierpen hiervoor een ‘prototypische toolkit’ met typerende elementen voor een varkensbedrijf, zoals het woonhuis aan de weg, bomen, het erf, een varkensbos, enzovoorts. Door de stallen te voorzien van Noord-Hollandse siergevels krijgen ze een vriendelijker karakter, en door te kiezen voor een stal in de vorm van een dijk past die goed in het landschap.

De inbreng van de landschapsarchitecten bij het ontwerp betreft vooral het leggen van een verbinding tussen de nieuwe, vaak grote volumes en het landschap. Bij de ontwerpsessie rond het bedrijf van Noordman heeft ervenconsulente Ingrid Nij Bijvank Van Herel van Het Oversticht al een compleet beplantingsplan met lindes op de zichtlijn door de ronde en rechthoekige stallen in. “Ik vind het uitermate belangrijk dat de inbedding in het landschap integraal wordt meegewogen”, stelt ze. “Opschaling, uitbreiding van erven kan juist kansen bieden voor herstel van landschappelijke patronen. Vanaf het begin is beplanting hier een aandachtspunt geweest. Dat vond ik zo bijzonder omdat veel agrariërs beplanting bezien vanuit een negatief daglicht, eerder last dan lust.” De Clercq en Schinkel hebben voor de landschappelijke inpassing van de dijkstal voor de familie Wennekers samengewerkt met landschapsarchitect Hans van Helden van provincie Noord-Holland. Van Sprundel werd bij zijn ontwerp voor Van de Lagemaat geadviseerd door de ervenconsulent van het Gelders Genootschap.

Vernieuwing duurt niet lang

In de ontwerpen komen de verschillende denkwijzen van varkensboeren en architecten samen. Het van buiten naar binnen denken van de architecten sluit zo langzamerhand aan bij het van binnen naar buiten denken van de varkensboeren. Beiden denken na over de vormgeving, maar ook over de logistiek in de gesloten bedrijven, waar fokzeugen biggen krijgen die vleesvarkens worden. Ook in de techniek worden veel nieuwe oplossingen gezocht voor de mestverwerking, de verwarming en koeling, het voerssysteem, de groepshuisvesting van de vleesvarkens en de kraamstallen, om maar enkele van de talloze technische aspecten te noemen.

Van de Ven van Provincie Noord-Brabant is zeer enthousiast over het project Stalontwerp. “De werelden van varkensboeren en architecten liggen vaak ver van elkaar. In een eerdere ontwerpopdracht hadden we al geconstateerd dat ontwerpers en ondernemers onvoldoende met elkaar in contact waren. Daarom is er in dit project gekozen hen van begin af aan samen met de overige adviseurs aan tafel te krijgen. Het project Stalontwerp bevestigt dat deze nieuwe aanpak de goede is. We zijn nu zo ver dat we echt een nieuwe generatie normstellende ontwerpen kunnen presenteren.””

Het is vooral de vernieuwingsdrang die spreekt uit de houding van de varkensboeren die indruk maakt. De varkenshouderij is helemaal niet ‘bruin, klein, stoffig, stinken en weggestopt’, dat valt de architecten ook op. Het is een sector die zichzelf aan het heruitvinden is, met innovaties maar vooral met nieuwe manieren om geld te verdienen met het houden van varkens. “Innovatie gaat sneller dan de afschrijving”, stelt Henst praktisch. “Daarmee kun je je geld dus niet verdienen.”

Wisselend getij – Natuur- en landschapsbeleid in heden en verleden

Wisselend getij – Natuur- en landschapsbeleid in heden en verleden.  Brochure over natuur- en landschapsbeleid, in samenwerking met Jan Klijn schreef, in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving, april 2011. 

Woestenburg, Martin & Klijn, Jan (2011). Wisselend getij. Natuur- en landschapsbeleid in heden en verleden. Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-paper 6. 

Pdf van brochure Wisselend getij

Pdf van Achtergronddocument bij de Natuurverkenning 2011: Wisselend getij – Omgang met en beleid voor natuur en landschap in verleden en heden; een essayistische beschouwing, geschreven door Jan Klijn.

Natuur- en landschapsbeleid afhankelijk van wisselend getij

De geschiedenis leert dat ook het beleid voor natuur en landschap sterk afhankelijk is van het wisselend getij van de maatschappelijke ontwikkeling. In de twintigste eeuw ontwikkelt zich een succesvolle sector van beleid, onderzoek en beheer ten aanzien van natuur en landschap. In de eenentwintigste eeuw waaien er echter nieuwe winden. In deze onzekere tijden zijn goodwill, draagvlak en educatie voor de sector onontbeerlijk, blijkt uit de paper Wisselend getij.

Particulieren geven aan het begin van de twintigste eeuw het startschot voor de ontwikkeling van een natuur- en landschapssector, met Jac. P. Thijsse als oprichter van Vereniging Natuurmonumenten als bekendste voorbeeld. Een echt beleid laat echter lang op zich wachten. Vooral in de laatste drie decennia ontwikkelt zich via een ware beleidsexplosie een professionele sector voor natuur en landschap, die een offensieve ecologische strategie uitrolt voor het ontwikkelen van natuur, met de ecologische hoofdstructuur (EHS) als wenkend perspectief. Aan het einde van de twintigste eeuw weet deze sector zich bijna net zo’n sterk bolwerk als de landbouwsector, mede dankzij een succesvolle combinatie van beleid, onderzoek en beheer.

In het begin van de eenentwintigste eeuw komt de relatief nieuwe sector voor natuur en landschap onder druk te staan. De cultuur verzakelijkt, de rijksoverheid decentraliseert, er komt strikte wet- en regelgeving van de Europese Unie, en er ontstaan nieuwe maatschappelijke opgaven zoals de klimaatverandering, de bevolkingskrimp en in 2008 de economische crisis. In die omgeving komt er steeds meer kritiek op de sector en de offensieve strategie van natuurontwikkeling. Misschien is de sector wel té succesvol. Zelfs het wekende perspectief van de EHS lijkt niet meer te passen bij de vele maatschappelijke onzekerheden.

De sector ziet zich medio 2011 genoopt naar buiten en ver naar voren te kijken. De intrinsieke waarde van de natuur is succesvol bij mensen op het netvlies gebracht, maar er is nu meer aandacht nodig voor de sociale, culturele en economische betekenis ervan, en het menselijk belang. Duidelijk is ook dat de maatschappij minder beïnvloedbaar is door een bolwerk van experts en een overheid die vanuit autoriteit opereert. Wil de sector voor natuur en landschap zich meer open stellen voor de maatschappelijke relevantie van natuur en landschap, dan zijn educatie en communicatie onontbeerlijk. De sector en de overheid zullen samen met de Nederlanders een flexibel beleid moeten ontwikkelen, dat past bij die nieuwe omstandigheden. Dat zal een beleid moeten zijn dat zich aanpast aan het voortdurend veranderende toekomstbeeld wat Nederlanders in deze tijden van klimaatverandering en economische crisis hebben.

De liefde voor natuur is een bundel verhalen – Leve de variatie aan mensennatuur

Lengkeek, Jaap & Woestenburg, Martin (2003). De liefde voor natuur is een bundel verhalen. In: Woestenburg, Martin, Buijs, Arjen & Timmermans, Wim (2003). Wie is bang voor de stad? Essays over ruimtelijke ordening, natuur en verstedelijking. Wageningen: Blauwdruk.

Een zonnige zondag op de Posbank betekent topdrukte in de door schapen afgegrazen heide: auto’s halen fietsers in, wandelaars lopen in file, picknickbankjes zitten afgeladen met rustende dagrecreanten. Is dit natuur? De ecoloog heeft vraagtekens. De heide die elk jaar de heuvels paars bloeit is niet natuurlijk, maar moet met schaapkuddes en Schotse hooglanders van gras ontdaan worden. De fietsers, wandelaars en automobilisten twijfelen niet. Dit is natuur, sterker nog, dit is de Nederlandse natuur op zijn mooist.

Een ding is wel duidelijk. Sinds het begin van de jaren tachtig bepaalde de ecoloog wat natuur is in Nederland, maar die tijd is voorbij. De natuur is van het volk zelf geworden. Er heeft zich in de laatste decennia een soort evolutie voltrokken in het landelijk gebied, of beter gezegd een metamorfose. Het platteland is van de traditionele productieruimte van de landbouw omgetoverd tot een multifunctionele consumptieruimte voor de stedeling. Kortom: de burger of de consument is nu het richtpunt in het landelijk gebied.

Die democratisering van de natuur, of beter gezegd het besef dat natuur een consumptiegoed is, is recent ingedaald in de burelen van politiek Den Haag. ‘Mensenwensen’ werd als toverwoord gelanceerd. Toch is de praktijk van alledag nog niet echt veranderd. Het beleidsveld recreatie valt nog steeds onder een andere directie van het ministerie van LNV dan het beleidsveld natuur, en toerisme is grotendeels het werkveld van het ministerie van Economische Zaken. En in de praktische, alledaagse werkelijkheid van natuurbeschermers en recreatieondernemers is de scheiding tussen natuur en recreatie niet kleiner.

Natuurlijk is er vooruitgang geboekt. De boswachter is niet langer de gesloten, met knickerbockers uitgeruste buitenmens. In natuurgebieden van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten leggen gedreven oud-onderwijzers uit hoe de natuur wordt beheerd en waarom. En VVV-Arnhem maakt reclame voor een nieuw type boswachter, de Veluweranger: ‘Veluwerangers zullen bezoekers van het Veluwe-paviljoen op een onderhoudende manier laten kennismaken met de Veluwse natuur’. Ook de campinghouder wil niet simpelweg meer ruimte, maar zoekt bij de uitbreiding van zijn bedrijf advies van ecologen, en maakt zich sterk voor een duurzaam en milieuvriendelijk gebruik van de omringende natuur.

Duidelijk is dat met de toenemende inbreng van de mondige burger zowel de politiek, het beleid als de ondernemers het spoor bijster zijn. Zo lijkt het natuurbeleid nog steeds te veel bepaald door ecologen en andere mensen die veel hebben met hoogwaardige natuur. Recent onderzoek van sociaal geografe Tialda Haartsen van de Universiteit Groningen toont aan dat de beeldvorming over het platteland meer bepaald wordt door de beelden die beleidsmakers, politici en wetenschappers ervan schetsen dan van de werkelijkheid. Econometriste Helena Berends van Alterra berekende dat bij de onderzoeken naar de natuurwensen van Nederland, het grote project Operatie Boomhut van het ministerie van LNV, alleen deze elite wordt gehoord. En recreatieonderzoeker Janine Caalders stelt in haar dissertatie dat de toeristische sector in het landelijk gebied vaak het ondergeschoven kindje is, mede dankzij de gebrekkige organisatie en de naar binnen gerichte houding van de sector zelf.

Het zicht op wat de burger wil is, sinds twintig jaar geleden de ecologen de alleenheerschappij over natuur naar zich toe trokken, ook verminderd. De mensen die het over de natuur voor het zeggen hebben, die fysiek en feitelijk bepalen welke vormen van natuur worden behouden en ontwikkeld, hebben weinig zicht op de wensen van het volk ten aanzien van diezelfde natuur. Dat is natuurlijk niet zo verwonderlijk. Grote ijsjesfabrikanten hebben nog altijd veel moeite om het juiste publiek voor het juiste ijsje te vinden, en autodealers hebben weliswaar databestanden waarin ze hun klanten tot op de postcode in allerlei demografische aspecten kunnen analyseren, maar dat betekent nog niet dat ze weten welke auto mensen willen kopen.

Dat is namelijk het probleem van de democratisering van de natuur. Er is na de alleenheerschappij van de ecoloog een leegte ontstaan waarin alles mogelijk is. Want wie heeft nu gelijk over de Posbank? De ecoloog of de recreant? Beiden en geen van beiden, zouden wij zeggen. De ecoloog en de recreant twisten over het feit dat het ecologisch meest waardevolle stukje Posbank tegelijkertijd ook toeristisch de meeste waarde in zich bergt, maar het zijn maar twee van de vele verhalen die over de Posbank verteld kunnen worden. Zo organiseerden omwonenden zich in het Overkoepelend Comité Posbank (OCP), in eerste instantie om de wegafsluiting voor gemotoriseerd verkeer tegen te gaan, later om hun eigen wensen en genoegens aan de beheerders van Natuurmonumenten duidelijk te maken. En daarnaast is er nog de eenzame mountainbiker die de heide van de Posbank gebruikt als decor voor zijn lichamelijke uitputtingsslag, de vogelaar die soorten wil scoren, of de vlinderliefhebber op zoek naar een speciale soort. Onder de natuur ligt bovendien ook nog een verhaal verscholen, het verhaal van de schrale landbouwgronden met wildwallen en een holleweg waar de boswachter mooi over kan vertellen.

Zo zijn er eindeloos veel verhalen die allemaal hun eigen juistheid en waarde hebben. Dat is onbevredigend maar veelzeggend, want daarmee is het debat over de natuur van Nederland veranderd van een ecologisch debat naar een vraagstuk over de waarden en normen die mensen verbinden aan natuur. Mensen verlenen natuur een betekenis middels hun activiteiten. De vogelaar beweegt zich met een grote kijker en praktische kleding door de natuur op zoek naar nieuwe soorten voor zijn jaarlijst. De langeafstandswandelaar loopt wandeletappes van meer dan veertig kilometer door stad en land. Een ouder paartje fietst zondagmiddag een uurtje rond over de Rijndijk, en geniet van het ritje met de pont. En de Marokkaanse familie picknickt met eigen eten in het Vondelpark, terwijl ze kijken naar de skaters op de paden en de stedelijke zonaanbidders op het gras. Vanuit die activiteiten ontstaan waarden die mensen hechten aan natuur.

Willen we de Nederlandse natuur ook de natuur van de Nederlanders maken, dan moeten we leren luisteren naar de verhalen van al deze mensen. De tijd is gekomen dat politici, beleidmakers, wetenschappers, maar ook ondernemers zich meer interesseren voor wat het volk, de recreant, van de natuur in Nederland vindt.

Dat klinkt erg democratisch, maar is tegelijkertijd problematisch. Want wie is die recreant? Het antwoord op die vraag ligt besloten in de gevleugelde uitspraak van Evelyn Waugh: “The tourist is the other fellow”. Net als de toerist is de recreant is ook altijd die ander. Niemand voelt zich recreant, en niemand identificeert zich als recreant. Niet voor niets dat de recreatie een zo ongrijpbaar en onindeelbaar beleidsveld is. Het is moeilijk grip te krijgen op een doelgroep, laat staan op een aantal verschillende doelgroepen, als die doelgroep zich niet als zodanig wil identificeren. Telkens blijkt de recreant weer iemand anders dan men dacht. En telkens weer wordt natuur op een andere manier door hem geïnterpreteerd.

Toch is er een overeenkomst tussen al die verschillende recreanten in het landelijk gebied, en dat is hun liefde voor de natuur. Natuurlijk, bij iedereen wordt de liefde anders verteld, bij iedereen heet de natuur anders, maar toch is die liefde een goed uitgangspunt om de relatie tussen natuur en recreatie of tussen de ecoloog, de recreant en de toerist nader te duiden. Dat kunnen we doen door een vergelijking te maken van de houding die mensen aannemen tegenover natuur met de opeenvolgende fasen in de liefde, namelijk de flirt, de aanspraak, het afspraakje, de verliefdheid, en ten slotte de vaste relatie. In die vijf verschillende fasen varieert de individuele beleving telkens, en is de houding die mensen aannemen tegenover hun geliefde telkens anders gedefinieerd.

De flirt is vrijblijvende hofmakerij. Flirters staan open naar andere mensen, maar slechts in beperkte mate. Echt serieus bedoelt de flirter het nafluiten van mooie benen of het naroepen van een lekker kontje niet. Flirten is amusement, een spel dat mensen even buiten het alledaagse brengt, het is een show voor de flirter zelf, degene die nagefloten wordt maar ook voor het omringende publiek. Daarom zit er weinig echt spannends aan, maar ook niet echt iets bedreigends. De grenzen aan het betamelijke zijn duidelijk, en de flirt is meestal bedoeld als een openbare uiting van eigendunk, bravoure en bewondering.

Natuur is een prachtige omgeving om te flirten, om aan anderen te tonen wat je waard bent in de openbaarheid. Op het strand showen jongens en meisjes hun lichaam, paartjes flaneren in het park, en mountainbikers tonen hun uithoudingsvermogen in het bos. De omgang met de natuur is net zo vrijblijvend als het flirten zelf. Mensen zoeken amusement, en de omgeving moet navenant gezellig zijn. Dat betekent strandtenten en vooral zon op het strand, een hotdog en een blikje cola in het park, en zo nu en dan een vos op het rulle pad van de mountainbiker. Er worden geen ecologische eisen gesteld aan de natuur, het moet gewoon een gezellige en groene openbare ruimte zijn. In de activiteit zit de prikkeling.

Wie aanspraak zoekt, zoekt afleiding. Aanspraak betekent iets onverwachts, het is het vrijblijvend aftasten van elkaar. Er is durf voor nodig om aanspraak te maken, en er is lef nodig om die aanspraak te durven aanvaarden. Wat dan ontstaat is een plotselinge verkering die tegelijk een onvoorziene en onduidelijke claim is. De jongen die het meisje aanspreekt wil meer, maar zelfs als het meisje iets terug zegt, blijft het een spel van aftasten van wat mogelijk en onmogelijk is, wat gewenst en ongewenst.  Het is een spel van een onvermoed maar welwillend aanvaard opdoemen van allerlei rechten en plichten. Het meisje en de jongen zijn ontdekkingsreizigers van hun eigen waarden en normen, van hun eigen belevingswereld, en hoe die passen bij die van de ander. Maar vrijblijvend blijft het.

Bij die ontdekkingstocht is de omgeving niet meer dan het decor waarin mensen een korte tijd kunnen ontsnappen aan het gewone leven. Mensen verwachten dan ook niets van de natuur die ze bezoeken, behalve rust en openheid. Mensen willen er even uit, een frisse neus halen, en als ze in het voorbijgaan een buizerd zien of van een mooi uitzicht kunnen genieten is dat alleen maar meegenomen. De aanspraak die mensen maken op de natuur is puur het claimen van rust; in ruil daarvoor willen ze zich graag onderwerpen aan regels die er aan hen gesteld worden door bijvoorbeeld terreinbeheerders. Wandelen over gemarkeerde natuurpaden is een voorbeeld of fietsen over de fietspaden op de heide.

Een afspraakje betekent interesse. Het is een overeenkomst, er wordt iets vastgelegd, en daar houdt men zich aan. Mensen gaan met elkaar uit eten, naar de film, in de verwachting dat ze elkaar tijdens die afspraak zullen vinden en herkennen. Het is geënsceneerd, door beiden en voor beiden, geïntrigeerd als beiden zijn in het beeld dat ze van elkaar hebben en de verhalen die ze elkaar vertellen. In een afspraakje wordt de aanvankelijke verleiding die mensen voor elkaar voelen gekanaliseerd in een prikkelend samenzijn met onzekere uitkomst. Het doel van de prikkeling is een gelijkwaardig prettig gevoel, het samensmeltende idee dat beiden zich tevreden tonen over de film, het eten en het gezelschap. Maar dat lukt natuurlijk niet altijd.

Mensen kunnen ook een afspraakje maken met de natuur. Mensen worden met verhalen gemobiliseerd om kennis te maken met natuur. Zo is het Fochtelooërveen voor de argeloze bezoeker een relatief betekenisloos, open en drassig landschap. Maar mensen die op de televisie hebben gezien dat er kraanvogels broeden, worden geprikkeld voor een bezoekje. De interesse die ze tijdens het bezoek tonen, leert hen dat het Fochtelooërveen een van de weinige hoogveengebieden is van Nederland, en de plaggen die duidelijk zichtbaar in het landschap liggen, doen denken aan de beschrijving die Thomas Rosenboom gaf van veenarbeiders in zijn boek ‘Publieke werken’. Zo worden mensen verleid door de verhalen die het gebied in zich berft, en groeit het bezoek voor de geïnteresseerden uit tot een wederzijdse aftasting tussen mens en natuur.

Verliefdheid is de sublieme spanning, het ligt op de grens tussen pijn en geluk. Verliefde mensen raken vervuld van een sterk verlangend maar onrustig makend gevoel, ze worden overheerst door een magnetisch en onregelbaar gevoel van aantrekking en afstoting. Maar ze moeten er wel voor open staan. Als dat gebeurt lijken verliefde mensen deel van elkaar te willen uitmaken, ze willen samen een zijn.

Verliefd worden op natuur kan ook, of je nu ecoloog bent of niet. Het zijn de zeldzame momenten dat de bezoeker een sublieme ervaring doormaakt, de momenten dat je als mens dat overweldigende gevoel krijgt dat je deel uitmaakt van een groter geheel dat adembenemend en nauwelijks te bevatten is. Het plotselinge uitzicht vanaf een berg of heuvel, de enorme schittering en stilte van de sterrennacht, de golvende zee geelbloeiende zonnebloemen in de felle zon, de uitgestrektheid van de woestijn, of de geuren en klanken van de tropen. Het zijn momenten waarop mensen pijnlijk voelen dat onderdeel uitmaken van de natuur, maar dat tegelijkertijd de afstand met die natuur oveweldigend groot is. ‘Love hurst’, zong glitterrockband Nazareth terecht.

De vaste relatie is de institutionalisering van de liefde. Tussen man en vrouw ontstaan vaste conventies, zoals ontbijtrituelen, een regelmatig seksleven, een verzameling van veelgebruikte kooswoordjes en ingebakken ergernissen. Er ontstaat een routine die makkelijk tot sleur wordt, maar tegelijkertijd zet de diepere liefde zich vast in beide geliefden. De ander wordt gekend, vertrouwd en geliefd, ook in de meest ontluisterende momenten. Man en vrouw horen dan ook bij elkaar, ze zijn elkaars eigendom, en ze leveren strijd met mensen die dat durven te betwisten.

Mensen die dagelijks hun hond uitlaten in een park, een bos of een uiterwaard gaan een vaste relatie aan met die natuur. Ze kennen na al die jaren alle paadjes, alle struiken, en wellicht zelfs de vogels die elk jaar terugkomen. Die relatie kan zich zo verdiepen dat mensen ook de cultuurhistorische en ecologische geheimen van het gebied willen weten. Mensen eigenen het stuk natuur toe door hun dagelijkse omgang met het gebied of door het opdoen van specifieke historische of ecologische kennis over het gebied. Het gebied is van hen, en elke ingreep van buiten wordt als een persoonlijke aanval gezien. In bredere zin zien we dat bij ecologen terug. Die zijn vertrouwd met natuur, ze kennen de nukken en de imperfecties, maar houden de schat het liefst voor zichzelf.

De vaste relatie met de natuur is de grondslag voor de vele machtsstrijden die spelen rond natuurgebieden. Op de Posbank hebben we de ecoloog, de dagrecreant, de boswachter, de omwonenden, de automobilist, de motorrijder, de mountainbiker, de vogelaar, de hobbyist met zijn modelvliegtuigje, enzovoorts. Het zijn jaloerse echtgenoten die anderen ‘hun’ natuur niet gunnen. De verhalen die ze vertellen over hun dagelijkse of wekelijkse omgang met die natuur zijn de wapens in de liefdesstrijd. Emotie is de drijfveer; de ratio is daaraan ondergeschikt.

De vijf fases in de liefde die we hierboven noemen – de flirt, de aanspraak, de afspraak, de verliefdheid en de vaste relatie – zijn niet toevallig gekozen. Ze sluiten aan bij de ervaringswerelden die de Britse socioloog Erik Cohen al in 1979 koos om de verschillende ervaringen van toeristen in te kunnen delen. In de afgelopen decennia is deze typologie in Wageningen toegepast op de recreatie in het landelijk gebied. Daaruit komen vijf ervaringswerelden voort met als kernwoorden amusement, afleiding, interesse, vervoering en toewijding. Het zijn eigenlijk verschillende stadia en intensiteiten van de manier waarop mensen tegen hun wereld aankijken.

Diezelfde ratio maakt het voor mensen met meer afstand tot de alledaagse werkelijheid – wetenschapper, beleidmakers, politici – aantrekkelijk om de verschillende houdingen ten aanzien van natuur die uit deze analogie voortvloeien, praktisch in te zetten voor de inrichting en het beheer van de Nederlandse natuur. Dat is zeker mogelijk, want in de vijf ervaringswerelden zijn duidelijk de glijdende schalen zichtbaar van de verschillende manieren waarop mensen omgaan met natuur. De manier waarop natuur wordt ervaren is telkens afhankelijk van een ingewikkelde balans tussen openbaar en individueel, spanning en beheersing, vrijblijvendheid en verplichting, verrassing en voorzienigheid, vlakheid en diepte of echt en gekunsteld. Zo is de flirt met natuur een openbaar gebeuren, met vrijblijvende spanning, een voorziene verrassing met een vlakheid die echt overkomt. De verliefdheid daarentegen is vooral individueel, het is een spannende beheersing, verplichtend en verrassend, zeer diep en zeer echt.

Daardoor wordt het verleidelijk om de vijf ervaringswerelden in de inrichting en planning van de natuur te gebruiken als een soort receptenboekje met panklare oplossingen voor de mensenwensen ten aanzien van natuur. Dat is onzin. Een snufje flirt, een theelepeltje afspraak en een pond vaste relatie is geen waarborg voor een goede mensennatuur. Er zijn echter voldoende voorbeelden om aan te geven dat de manier waarop ondernemers, natuurorganisaties en overheden proberen natuur en mens te combineren lang niet altijd goed is voor de natuur of voor de mens. In het kloeke boek ‘Pret – Leisure en landschap’ van NRC-journaliste Tracy Metz zijn zonder moeite honderden vormen van vermaak te vinden waarin natuur eendimensionaal tot attractie is omgetoverd, of het nu gaat om lopen door de kronen van de bomen, het fietsen langs de forten van de vele waterlinies, het raften in de Ardennen, of het wandelen langs met gekleurde paaltjes afgezette routes.

Het voorbeeld van de Posbank laat zien dat er alleen al op dat kleine postzegeltje natuur tot wel tien soorten verschillende verhalen over natuur gebezigd worden, als drijfveer om met natuur bezig te zijn, maar ook als verantwoording voor de manier waarop men met die natuur bezig is. Zoals gezegd moeten wetenschappers, beleidmakers en politici leren luisteren, juist naar die enorme variatie aan verhalen die er leven onder de Nederlandse bevolking. Het gaat ons om de variatie, en daarvan is zowel qua natuur als qua natuurbeleving voldoende voor handen in Nederland. Want ondanks de hoge bevolkingsdruk hebben we nog steeds veel natuur die zelfs in Europees opzicht ecologisch interessant is. Bovendien is er nergens in Europa op zo’n klein oppervlak zo’n grote ecologische en landschappelijke diversiteit te vinden. Die diversiteit staat borg voor een even grote, en zo niet grotere, variatie aan beleving.

Nederland is een hoog verstedelijkte maatschappij met een hoge biodiversiteit, maar nergens in Nederland vinden we de werkelijk enorme bevolkingsdruk zoals in New York of Londen of de echte ongerepte natuur zoals in de Amazone of de Rocky Mountains. In de natuur is overal de hand van de mens zichtbaar, maar in de stad is overal de hand van de natuur zichtbaar. Dat moet hoop geven, als we maar durven om niet al te eendimensionaal – ecologisch, cultuurhistorisch, landbouwkundig, recreatief, toeristisch, economisch – met die historisch gegroeide samenvlechting van stad en natuur om te gaan. Het gaat er daarbij volgens ons om dat er in eerste instantie meer wordt geluisterd en gekeken naar wat mensen in natuur zoeken. De hierboven uiteengevouwen vijfdeling in soorten liefde en ervaringswerelden zou wat ons betreft een geschikt analysekader zijn om te komen tot een soort beleidsmarketing. Zodat bestuurders gestructureerd leren luisteren naar de burgers.